|
INDEX :
- A -aanwasAangeslibd materiaal tegen een bestaande dijk, kust of oever.
achterdijk Achterzijde van de eerste ontginning van 100 meter breed en 1250 meter lang. Moest de ontginning beschermen tegen het hoger gelegen veen erachter. Ook wel achterkade genoemd.
achterkade Achterzijde van de eerste ontginning van 100 meter breed en 1250 meter lang. Moest de ontginning beschermen tegen het hoger gelegen veen erachter.Ook wel achterdijk genoemd.
afgesneden meander Dode bocht waar de meanderende rivier door voortdurende erosie van de buitenbochten is doorgebroken. Er resteert een plas met min of meer stilstaand water, vaak gebruikt voor zand- en grindafgraving.
afwatering Afvoer van overtollig water uit een gebied. Dit gebeurt natuurlijk (als het gebied hoog genoeg ligt ten opzichte van de omgeving) of kunstmatig in laaggelegen gebieden d.m.v. molens en gemalen.
Aquitaans Bekken Dit bekken wordt begrensd door Pyreneeen en Centraal massief. Het is opgevuld met het erosiemateriaal uit de Pyreneeen afkomstig. Er zijn geen questa's. In het kustgebied (Les Landes) zijn duinen met naaldbossen.
atlanticum Periode in het holoceen, van 6000 v. Chr. tot 3000 v. Chr., gekenmerkt door ontstaan van zandbanken en strandwallen evenwijdig aan de kust, waarachter een waddengebied ontstond.
- B -bandijkDijk op grotere afstand van de rivier die het gebied erachter beschermen tegen een overstroming. Het gaat om een hoge dijk die samen met de zomerdijk de uiterwaarden begrensd.
basisveen Veen dat aan de basis ligt van de holocene afzettingen in Nederland, en dat tussen 7000 en 6000 voor Christus is gevormd. Op de meeste plaatsen later bij hoge vloeden weer weggeslagen.
beemd Laag, nat hooiland.
beheerscontract Een afspraak (tegen vergoeding) van de overheid met een boer over het beperkt gebruik van landbouwgronden. Bijv. in een bepaalde periode niet maaien of beperkt gebruik van kunstmest.
berg Hoge grond.
bezinkveld Vakken langs de kust van Groningen en Friesland, begrensd door dammen van rijshour, ter bevordering van een snelle sedimentatie.
bio-industrie Intensieve veehouderij, waarbij op een bijna industriële wijze dierlijk voedsel wordt geproduceerd.
blauwgrasland Voedselarm, onbemest vochtig hooiland dat vroeger een keer per jaar in de zomer werden gehooid.
bocage landschap Heggenlandschap. De velden werden of zijn door heggen of muurtjes omgeven. Het bocagelandschap verdwijnt snel door de negatieve invloeden op de moderne bedrijfsvoering.
bodem Bovenste, veranderde deel van de aardkost, waarin de planten wortelen.
bodemwater Water in de bodem boven de grondwaterspiegel.
boezem Opslagplaats van overtollig polderwater.
bolster Bovenste deel van een hoogveenpakket dat bruin van kleur is, vrij los is en als turfstrooisel gebruikt kan worden.
bonkaarde Bovenste deel van een hoogveenpakket dat bruin van kleur is, vrij los is en als turfstrooisel gebruikt kan worden.
bonkveen Bovenste deel van een hoogveenpakket dat bruin van kleur is, vrij los is en als turfstrooisel gebruikt kan worden.
boreaal Periode in het holoceen, van 7000 v. Chr. tot 6000 v. Chr., gekenmerkt door vorming van kustmoerassen omdat de afvoer van de rivieren stagneerde door de stijgende zeespiegelstijging.
bosbranden In het droge seizoen komen er in Frankrijk vrijveel bosbranden voor. Soms onopzettelijk veroorzaakt door toeristen soms ook opzettelijk veroorzaakt door projektontwikkelaars, die een bepaald doel voor ogen staat.
braak Het tijdelijk niet gebruiken van landbouwgrond met als doel het tekort aan voedingsmiddelen in de grond aan te vullen. Tegenwoordig wordt grond ook wel om economische redenen braak gelegd.
branding Plaats voor de kust waar de zee ondiep wordt en de golven steiler worden en overslaan.
brandingsrug Door branding opgeworpen zandrug.
brikgrond Bodem waarin klei uit de toplaag (A-horizont) is uitgespoeld en daaronder weer is ingespoeld (B2t-horizont).
brink Rond grasveld met drinkput waar dieren s'nachts verbleven, omgeven door boerdrijen en bomen. Komt voor op de zandgronden bij brink/esdorp.
brinkdorp Dorpstype, ook bekend onder de naam esdorp, op de zandgronden waarvan de kern van het dorp wordt gevormd door een dorpsplein (brink).
broek Laag moerasbos, kreupelhout in een nat gebied.
bufferbassins Bekkens die bij hevige regens de modder, die langs de hellingen naar beneden spoelt, opvangen en laten bezinken
bufferzone Gebieden met een natuur-, landbouw- en/of recreatiefunctie gelegen tussen of in stadsgewesten, die tot doel hebben de openheid van stedelijke gebieden te garanderen.
buitengebied Alle gebied, buiten de bebouwde kom, waar beperkende regels en voorschriften gelden.
- C -capLandpunt die in zee uitsteekt.
Capadocië Ongeveer 200 km ten zuidoosten van Ankara ligt Capadocië. Hier is ooit door een uitbarsting van twee vulkanen vulkanische as afgezet in dikke lagen. Uit die as ontstond een vrij zachte witte tufsteen. Door verwering is een soort maanlandschap met bijzondere vormen ontstaan. Ook de mens ontdekte die tamelijk zachte en goed bewerkbare materiaal. Door christelijke vluchtelingen werd in dit gebied grotten uitgehakt, die dienst deden als woningen en kerken.
carboon Periode in de geologische tijdstabel, ca. 300 miljoen jaar geleden, waarin Nederland een tropisch klimaat had, en waardoor steenkool is gevormd.
Centraal Massief De hoogste top meet 1886 meter. Het bestaat verder uit enkele plateaus en gebergten met diepe rivier-insnijdingen(gorges) in de veelal kalksteen. Bovendien komt er veel breukvorming voor. Vroeger kwam er vulkanisme voor. Overblijfselen vulkanisch gesteente, ronde kratermeren en minerale bronnen. Tijdens een ijstijd droegen de bergen gletsjers.
centrum-dorpen beleid Het streven van de overheid belangrijke voorzieningen te concentreren in een groter centraal gelegen dorp.
champs ouverts Open landschap ofwel open field. Het uitzicht wordt tot aan de horizon vrijwel nergens door onderbroken.
colluvium Löss die onderaan een helling is samengespoeld.
cope-ontginning Ontginningsvorm in het laagveengebied dat leidde tot stroken grond van 100 meter breed en 1250 meter lang. Genoemd naar het cope-contract.
cuesta Een langgerekte asymmetrische bergrug bestaande uit hard gesteente. De bergrug heeft een flauwe hellende kant en een steile kant. Op de steile kant groeit vaak bos.
cultuur-historisch landschap Het landschap gezien als een verzameling van elementen uit heden en verleden.
cultuurlandschap Een landschap dat is ontstaan door de activiteiten van mensen. Een cultuurlandschap bestaat uit inrichtingselementen als wegen, akkers en weilanden, parken en vijvers, huizen en fabrieken, dorpen en steden. Een cultuurlandschap wordt wel beschouwd als het tegenovergestelde van een natuurlandschap.
cultuurlandschap Een landschap dat ontstaan is door de activiteiten van de mens. (Soms ziet het er best wel natuurlijk uit.) Het bestaat uit wegen, huizen, akkers, steden enz.
cultuurlandschap Een landschap waarop de mens zijn stempel heeft gedrukt door het in gebruik te nemen als agrarisch, industrieel, of stedelijke productie- en woongebied.
- D -daalDal of laagte.
daldorp Dorpstype in Zuid-Limburg, genoemd naar de ligging in het dal langs de beek/rivier.
dalgrond Een kunstmatige bodem, gevormd na afgraving van hoogveen in de veenkoloniën. De tijdelijk aan de kant gezette bovenste laag van het veen (bonkaarde) werd door het dekzand gemengd.
dalgrond Kunstmatige bodem, gevormd na hoogveenafgravingen in de veenkoloniën door vermenging van de bovenste laag mosveen met het dekzand.
defensieve bedijking Het aanleggen van dijken ter bescherming tegen overstromingen.
dekzand Eolische zandafzetting uit de Weichseltijd, die vrijwel geheel Nederland heeft bedekt.
del Dal of laagte.
denudatie De afvoer naar beneden van door verschillende verweringsprocessen vergruisd materiaal, onder invloed van de zwaartekracht.
dijkdorp Een langgerekt dorp, bepaald door het verloop van de dijk. Vanaf de dijkwoning werd het land ontgonnen in lange smalle stroken. Deze lintbebouwing komt voor in het laagveenlandschap in West-Nederland. In het zeekleilandschap van Zuidwest Nederland komen andere soorten dijkdorpen voor.
dijkverzwaring Verhogen en verbreden van dijken, o.a. in het kader van de Deltawet. Het betreft dijken in Laag-Nederland en langs de grote rivieren. Nodig i.v.m. zeespiegelstijging.
diversiteit Het aantal soorten planten en dieren dat in een bepaalde ruimte voorkomt.
doline Komvormige laagte ontstaan door oplossing van water in kalk.
donk Rivierduin dat geheel is omgeven door (of overdekt met) jongere holocene afzettingen.
dorpstypen Groepen dorpen in een bepaald gebied die een aantal gemeenschappelijke kenmerken hebben.
draagfunctie De wijze waarop het natuurlijk milieu wordt gebruikt als opslagplaats.
droog dal Door samenspel van solifluctie en sneeuwsmeltwaterstromen, in koude perioden gevormde dalen. De bodem was toen ondoorlatend, nu meestal niet, zodat het dal geen water meer zal bevatten.
droogmakerij Een polder ontstaan door uitmaling van het water van een meer of plas.
duinafzettingen Eolische afzettingen met veel reliëf. Langs de kust kennen we kustduinen doch langs ribvieren zijn er ook rivierduinen.
duinvallei - primair Laagte tussen een oude zeereep en een nieuwe zeereep; een oorspronkelijke strandvlakte.
duinvallei - secundair Laagte door winderosie uitgeblazen tot het grondwaterniveau.
duurzaam toerisme Een manier van gebruik van een toeristengebied die er voor zorgt dat ook toekomstige generaties toeristen kunnen genieten. Betreft: bescherming van milieu, natuur en landschap en de oorspronkelijke cultuur van een toeristengebied. Tevens moet de lokale bevolking economisch van het toerisme profiteren.
dwarsdijk Smalle Dijk uit de elfde eeuw die haaks op de rivier werd aangelegd. Ook wel zijkade genoemd.
dynamiek Het ritme en de intensiteit van de energie- en materie-stromingen naar het eco-systeem.
- E -eb/vloedAfwisseling van perioden waarin het zeewater daalt en perioden waarin het stijgt. Ritme van twee keer per dag vloed en twee keer per dag eb, waarbij de eb-stroom langer duurt dan de vloedstroom.
ecologie De wetenschap die de samenhang tussen organismen en hun milieu als studiegebied heeft.
ecologische hoofdstructuur Term gebruikt door de overheid bij het natuurbeleid. Er wordt een onderscheid aangebracht tussen kerngebieden, nationale ontwikkelingsgebieden, rivierengebieden en verbindingszones.
ecosysteem Een systeem waarin de wisselwerking tussen de levende en niet-levende elementen centraal staat.
eemien Tussenijstijd in het pleistoceen.
engen Met mest opgehoogde akkers die vroeger rondom dorpen in het zandlandschap te vinden waren.
enkeerdgrond Door de mens gevormde bodem van 50 cm of dikkere laag die een hoog percentage organisch materiaal bevat.
enken Met mest opgehoogde akkers die vroeger rondom dorpen in het zandlandschap te vinden waren.
eolische afzetting Een afzetting door de wind.
erosie Afbrekende werking van met puin beladen wind, water of gletsjers.
esdorp Dorpstype, ook bekend onder de naam brinkdorp, op de zandgronden waarvan de kern van het dorp wordt gevormd door een dorpsplein (brink), omgeven door boerderijen en akkers (essen).
essen Met mest opgehoogde akkers die vroeger rondom dorpen in het zandlandschap te vinden waren.
estuarium Trechtervormige riviermonding, die op diepte wordt gehouden. Door de binnendringende vloedstroom en de terugstromende ebstroom wordt geen sedimentatie materiaal afgezet.
estuarium Een trechtervormige riviermond met een waterbeweging onder invloed van het getij.
etang Een door een schoorwal geheel of gedeeltelijk afgesloten deel van de zee. Andere aanduidingen voor dit verschijnsel zijn: haf of lagune.
eutrofiëring Voedselverrijking van water (en uiteindelijk ook van de bodem) waardoor algen en hogere waterplanten sterk kunnen groeien. Ontstaat o.a. door overbemesting in de landbouw waardoor veel nitraten en fosfaten aan de bodem worden toegevoegd.
evapotranspiratie Combinatie van rechtstreekse verdamping (evaporatie)en verdamping vanuit plantenbladeren (transpiratie).
- F -falaisekustFrans woord voor klifkust. Deze kustvorm ontstaat door de voortdurende afbrekende werking van de branding op de rotsen aan de kust. Zie: klifkust.
fluviatiele afzetting Een afzetting door een rivier.
fluvioglaciale afzetting Een afzetting door smeltwater van het landijs uit het Saalien.
fysiek milieu Het cultuurlandschap. Het door de mens veranderde fysisch milieu. Bijvoorbeeld een moeras (fysisch milieu) waarvan de mens een polder (fysiek milieu) heeft gemaakt.
- G -geestZandige hoogte.
geestgrond Zandgrond aan de binnenzijde van het kustgebied ontstaan door afgraving van de oude duinen. Zeer geschikt voor de bloementeelt.
gelifluctie Beweging van los materiaal dat is verzadigd met smeltwater. Voor deze beweging is slechts een gering hellingspercentage nodig.
genese De wordingsgeschiedenis van een landschap.
geomorfologie De wetenschap die de vormen aan het aardoppervlak en het ontstaan van die vormen bestudeert.
glaciaal Koude periode in het Pleistoceen. Met 'het Glaciaal' wordt het Saalien bedoeld.
glaciale afzettingen Afzettingen gevormd door landijs in het pleistoceen: zwerfstenen, morene/gletsjerpuin en keileem. Slecht gesorteerd.
goor Laaggelegen, moerassig land.
gorge Diepe, steilwandige kloof uitgeslepen door een rivier. Bijv. Gorge du Tarn of Gorge du Verdon.
gradiënt Geleidelijke overgang tussen verschillende milieu's.
graft Steile rand met bos of struikgewas op hellingen in Zuid-Limburg.
grensmilieu Overgangsgebied tussen twee soorten landschappen.
grind Afgerond gesteente met een doorsnede van meerd dan 2 mm. De afronding ontstaat doordat stenen door de stroming van water afslijten.
groengronden Onbemeste graslanden in de beekdalen van het zandlandschap.
grondmorene Aan de onderzijde van het landijs afgezet keileem.
grondsoort Materiaal aan de oppervlakte, waaruit de ondergrond bestaat, bijv. zand, veen enz.
grondwater Water met een onder het aardoppervlak gelegen waterspiegel.
grondwaterspiegel Het hoogteverschil tussen het grondoppervlak en de grondwaterspiegel.
- H -haarHoge beboste zandgrond, vaak temidden van lagere gronden.
hafkust Zie etang en lagune.
hees Gemengd berken/beukenbos op droge grond.
Hercynische gebergtevorming Periode in de geschiedenis van de aarde waarin veel gebergten zijn ontstaan. Ongeveer 300 miljoen jaar geleden (Eind Carboon/begin Perm) zijn deze bergen ontstaan en daarna door verwering en erosie sterk afgevlakt tot een massief. Bijv. Centraal massief (Massif Central) en Armorikaans Massief.
heuvel Hoge grond.
hollandveen Veen dat aan de oppervlakte ligt van de Holocene afzettingen in Nederland.
holle weg In het landschap diepliggend pad of weggetje, ontstaan door erosie in de löss.
holoceen Geologisch tijdvak dat circa 10.000 jaar geleden begon en waarin we ons nu bevinden. Jongste periode van het Kwartair.
hoofddiep Belangrijkste kanaal in het hoogveenlandschap, van waaruit de ontginning werd gestart.
Hoog Nederland Het deel van Nederland dat boven +1 meter N.A.P. ligt.
hooggebergte Een gebergte met een hoogte boven de 1500 meter. Vaak met scherpe kammen en toppen.
hoogveen Veen dat groeit onder invloed van voedselarm regenwater, boven N.A.P. gelegen.
hoogveenontginningsdorp Kanaaldorp in het hoogveenlandschap, waarbij vanuit de woningen langs het veenafvoerkanaal de vervening plaatsvond.
horizonten Herkenbare lagen in een bodemprofiel die zijn te onderscheiden op basis van kleur of korrelgrootte.
horst Hoge plaats.
horst Een gebied dat langs breuken in de aardkorst naar boven is geschoven en nu als gebergterug in het landschap te vinden is. Bijv. de Vogezen en het Zwarte Woud. Oude lagen komen door verwering en erosie aan de oppervlakte.
hout Bos op droge grond.
houtwal Afscheiding van agrarische percelen bestaande uit struiken en rijen bomen.
hun-lijn Lijn, globaal begrensd door Haarlem, Utrecht en Nijmegen ten zuiden waarvan in Nederland geen glaciale afzettingen worden aangetroffen.
- I -infiltratieAanvulling van het grondwater door aangevoerd rivierwater in de grond te laten zijgen.
informatiefunctie De wijze waarop het natuurlijk milieu dient als bron voor gegevens.
infrastructuur Het geheel van verbindingen in een landschap.
inklinken Daling van het grondoppervlakt door volumeverlies ten gevolge van vochtverlies. Verschijnsel komt vooral voor bij klei en veen.
interglaciaal Warme periode tussen twee glacialen (koudere periodes).
- J -jonge zeeboezemgrondenKlei afgezet in de vroegere zeearmen van Noord-Nederland.
jonge zeeklei Zeeklei, afgezet ongeveer 1300 na Christus in West Nederland. Ook wel afzetting van Duinkerken genoemd.
Jura Gebergte op de grens tussen Frankrijk en Zwitserland. Jonggebergte bestaande uit voornamelijk kalksteen, vandaar de vele karstverschijnselen. De hoogste top meet 1732 meter. Tijdens een ijstijd was er vergletsjering.
- K -kadeLagere dijk in het binnenland die moet voorkomen dat laaggelegen polders door binnenwateren worden overstroomd.
kampontginning Individuele ontginning aan de rand van het markegebied in het zandlandschap.
karstverschijnselen Alle verschijnselen die voorkomen in een gebied met kalkgesteente en te maken hebben met het oplossen van de kalksteen. Zoals: druipsteengrotten, dolinen, stalactieten, stalagmieten en onderaardse rivieren.
kavel Een duidelijk afgebakend stuk cultuurgrond.
keileem Ongesorteerde afzetting uit het glaciaal bestaande uit een mengsel van keien, zand en leem.
kerkdorp Soort esdorp dat voorkomt in Noord-Brabant, ontstaan waar de bewoning meer verspreid is rond kleine gehuchten rond een gemeenschappelijk gebied. Ook bekend onder de naam kransakkerdorp.
klei Verweringsmateriaal, minerale deeltjes door chemische verwering ontstaan, met een korrelgrootte kleiner dan 0,002 mm. Heeft als eigenschappen o.a. een groot opnamevermogen van water en de adsorptie van voedingsstoffen voor planten.
kleine kernen Dorpen met minder dan 5000 inwoners en met een (te) bepertkt voorzieningenniveau.
klifkust Een steile kustvorm die ontstaat door het voortdurend eroderen van het gebergte dat aan de kust ligt. Zie ook falaise kust en afbraakkust.
kom Bij overstroming tussen de stroomruggen gevormd gebied met zware rivierklei, die later door inklinking lager zijn komen te liggen dan de stroomruggen.
kransakkerdorp Soort esdorp dat voorkomt in Noord-Brabant, ontstaan waar de bewoning meer verspreid is rond kleine gehuchten rond een gemeenschappelijk gebied. I.v.m. de centrale ligging van de kerk spreekt men ook wel kerkdorp.
kreekrug Zandige rug in het zeekleilandschap die bestaat uit een dichtgeslibde kreekbedding met de bijbehorende oeverwallen.
krijt Geologische periode van 140 miljoen tot 65 miljoen jaar geleden, gekenmerkt door zeespiegelstijging waardoor veel kalkafzettingen werden gesedimenteerd.
kwartair De jongste geologische periode die circa 2.500.000 jaar geleden is begonnen en die tot op heden doorloopt. Bestaat uit de tijdvakken pleistoceen en holoceen.
kwel Water dat door natuurlijke of kunstmatige hoogteverschillen in grondwaterspiegels door dijken of doorlatende ondergrond in polders terecht komt. Kan plaatselijk aan de oppervlakte treden.
kwelder Buitendijks gebied langs de zeekust dat begroeid is met zoutminnende flora en dat alleen bij zeer hoge vloed overstroomt. In Zeeland spreekt men van schor.
kwelderwal Tijdens stormvloeden verder opgehoogde kwelders.
- L -Laag NederlandHet deel van Nederland dat beneden +1 meter N.A.P. ligt, en dat bij elke vloed zou overstromen als er geen dammen, dijken en duinen zouden zijn.
laagveen Veen dat groeit onder invloed van het grondwater, beneden N.A.P. gelegen.
laagveenontginningsdorp Een langgerekt wegdorp in een laagveenlandschap, waarbij op iedere strookvormige kavel een boerderij staat.
laar Open plek in het bos op natte grond, moerasbos.
lagune Een lagune of haf is het gebied tussen de oorspronkelijke kustlijn en de schoorwal. Deze kan op den duur verlanden. Zie: etang.
lagune Het verlandingsstadium van een waddengebied, waardoor een soort binnenzee ontstaat.
landelijke gebieden Gebieden buiten de steden, met overwegend een natuur- en/of landbouwfunctie.
landinrichting Proces waarbij ruilverkaveling plaatsvindt in combinatie met veranderingen die ook de natuur en het landschapsbehoud moeten dienen.
landinrichtingswet Een wet waarin geregeld is op welke wijze, bij een herinrichting van een agrarisch gebied, naast de belangen van het agrarisch bedrijf wordt rekening gehouden met de belangen van natuur en recreatie.
landschap Een gebied dat in zijn uiterlijk een geheel vormt. Bestaat uit een aantal natuurlijke elementen (grondsoort, reliëf, waterhuishouding, bodem, hoogteligging) en uit een aantal door de mens aangebrachte bouwstenen (bewoningsvorm, grondgebruik, verkaveling, verkeersinfrastructuur).
landschapsbeheer Alle beschermende maatregelen om verdere achteruitgang van natuur en landschap te voorkomen en de ruimtelijke kwaliteit te verhogen.
legakkers Hogere langgerekte stroken waar het uitgebaggerde veen op te drogen werd gelegd. Ook wel ribben genoemd.
leur Soort turf.
lijnelementen Langgerekte elementen in een landschap, bijv. een bomenrij of een sloot.
lineaire bebouwing Langgerekte bebouwing, ontstaan langs rivier, beek, dijk of kanaal. Ook wel lintbebouwing genoemd.
lintbebouwing Langgerekte bebouwing, ontstaan langs rivier, beek, dijk of kanaal. Ook wel lineaire bebouwing genoemd.
loo Bos of open plek in een bos op droge grond.
löss Afzetting door de wind uit het Weichselien (post-glaciaal) met een korrelgrootte kleiner dan 0,05 mm. Komt incidenteel in Oost-Nederland aan de oppervlakte (rond Nijmegen) en in grote delen van Zuid-Limburg.
- M -madeLaag nat hooiland.
Maquis Begroeiing in het Middellandse Zeegebied bestaande uit doornige struiken met harde altijd groene bladeren. Deze vegetatie is ontstaan door het kappen en afbranden van het oorspronkelijke bos en het beweiden door geiten.
mariene afzetting Afzetting door de zee.
marke Vereninging van boeren op de zandgrond die gebruik van collectieve gronden regelde.
massief Relatief oud deel van de aardkorst waarin gesteenten vaak sterk zijn vervormd en afgesleten en later is opgeheven.
Massif Central Massief centraal in Frankrijk gelegen met een gemiddelde hoogte van 710 meter. Het is een Hercynisch gebergte, waar 50 miljoen jaar geleden nog vulkanisme voorkwam. In het Massif Central ligt nu het Vulkaan Park, een nationaal natuurpark. Een bekende vulkaantop is de Puy de Dome. Er ontspringen veel rivieren en er komen soms diepe dalen (gorges) voor.
meanderen Het kronkelen van een rivier t.g.v. de afnemende stroomsnelheid.
meent Gemeenschappelijk stuk grond met weide functie in het zandlandschap.
meer Open watervlakte, voormalig water.
mergel Afzettingsgesteente bestaande uit een mengsel van klei en van resten van organisme met een kalkschaal dan wel een kalkskelet. In Zuid-Limburg veelvuldig afgegraven t.b.v. de cementindustrie.
middelgebergte Een gebergte met een gemiddelde hoogte tussen 500 en 1500 meter.
Midi Het gebied van Frankrijk in de onmiddellijke omgeving van de Middellandse Zee.
milieu effect rapportage Rapport waarin, bij realisering van een bepaald project (bijv. aanleg Betuwelijn) de gevolgen voor het milieu worden berekend en beschreven.
milieuproblemen Problemen ontstaan bij een te intensieve benutting van het natuurlijk milieu door de mens.
milieuwetgeving Wetten waarin, ter bescherming van het milieu, staat aangegeven aan welke voorwaarden de realisering van menselijke activiteiten moet voldoen.
moer Moeras of veengrond.
moernering Turf afgraven voor de winning van zout. Dit gebeurde in gebieden waar het veen doordrenkt was van zout, o.a. in Friesland, West-Brabant en Zeeland. Ook wel selnering genoemd.
mond Uitloop van water.
multifunctioneel platteland Landelijke gebieden die steeds meer functies voor verstedelijkte gebieden gaan vervullen.
- N -nationaal landschapGebied van circa 10.000 ha. landschappelijk waardevol natuurgebied waar ook fraaie agrarische landschappen voorkomen.
nationaal park Een beschermd natuurgebied van minstens 1000 ha. met een uniek landschap dat beperkt toegankelijk is voor het publiek. Bijv. "de Hoge Veluwe".
natuurattracties Natuurattracties zijn de natuurlijke eigenschappen van een vakantiegebied. Voorbeelden van natuurattracties zijn klimaat, vegetatie, landschap en reliëf.
natuurattracties De natuurlijke eigenschappen van een vakantiegebied: klimaat, natuurlandschap.
natuurlandschap Een natuurlandschap is een landschap zoals dat door de natuur is gevormd. Dit landschap bestaat nog geheel uit natuurlijke elementen: heuvels en bergen, rivieren en zeeen, bossen en steppen, etc. De mens heeft er nog niet of nauwelijks zijn invloed laten gelden.
natuurlandschap De opbouw van het landschap door natuurelementen zoals reliëf, bodem, gesteente, plantengroei.
natuurlandschap Het oorspronkelijke door de natuur gevormde landschap. Niet door de mens veranderd. Het Nederlandse vasteland bestaat voor 100% uit cultuurlandschappen.
nieuw land Onderdeel van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden dat is ontstaan door actieve dijkaanleg en landwinning, en dat bestaat uit jonge zeeklei.
nota landelijke gebieden Het overheidsbeleid met betrekking tot de landelijke gebieden; het betreft de organisatie en inrichting op langere termijn.
- O -oerstroomdalBreed rivierdal langs de rand van een ijsmassa, gevormd door het smeltwater van het ijs en afgebogen rivieren.
oeverwal Brede lage rug langs de rivier, ontstaan door sedimentatie van zandig materiaal direct lanfs de rivier tijdens overstromingen.
offensieve bedijking Het bedijken van kwelders met als hoofddoel landaanwinning.
open-field Een landschap met grote open ruimten waarin je vaak van horizon tot horizon kunt kijken.
opgevaren grond Sloot en meerbagger die op veengrond wordt gegooid waardoor het geschikt wordt voor de tuinbouw. O.a. bij Broek op Langedijk en bij Aalsmeer.
opwas Aangroei van land door sedimentatie op oudere (kwelder) afzettingen.
organogene processen Processen waarbij organisch materiaal wordt gevormd, bijv. veen.
oud land Onderdeel van de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden dat bestaat uit oude kwelders of schorren. Vaak in later tijd weer weggeslagen.
oude zeeklei Blauwgrijze zeeklei, zwaar, afgezet ongeveer 3000 voor Christus in West Nederland. Ook wel afzetting van Calais genoemd.
overslaggrond Tijdens een dijkdoorbraak rondom een wiel afgezet zand en grind.
- P -paraboolduinEen paraboolvormig duin, waarvan de punten naar de richting van de wind wijzen.
perceel Door sloot, weg of hek afgebakend stuk grond.
perceptie De wijze waarop wij een subkjectief beeld vormen van een objectieve werkelijkheid zoals het landschap.
permafrost Permanent bevroren ondergrond die in Nederland in de Weichsel-tijd voorkwam.
petgaten De langgerekte stroken waar het veen werd uitgebaggerd, naast de ribben of legakkers waar het veen te drogen werd gelegd. Ook wel trekgaten genoemd.
pingo Vorstheuvel, ontstaan doordat onder het aardoppervlak een ijskern ontstaat die geleidelijk aangroeit, en zo de aarde optilt. Resten hiervan zijn o.a. in Drente te zien.
pingoruïne Restant van een vorstheuvel, ontstaan doordat onder het aardoppervlak een ijskern ontstaat die geleidelijk aangroeit, en zo de aarde optilt. Resten hiervan zijn o.a. in Drente te zien.
pionierplanten De eerste planten die zich vestigen op een nieuw stuk duingrond of drooggevallen grond.
plaat Uit zandig materiaal bestaand onbegroeid gebied in het waddengebied dat alleen bij eb droogvalt.
plateau Een hoogvlakte met een vrijwel horizontale bovenzijde. Ze zijn meestal ontstaan door riviererosie en later omhoog gekomen.
plateau Hooggelegen vlak gedeelte in het landschap. Ook wel hoogvlakte genoemd.
plateaudorp Dorpstype in Zuid-Limburg, genoemd naar de ligging op een hoogvlakte. Van jongere datum dan de in het dal langs de beek/rivier gelegen daldorp.
pleistoceen Geologisch tijdvak dat 2.500.000 jaar geleden begon en 10.000 jaar geleden eindigde. Kenmerkend voor deze periode is dat koude en warmere perioden elkaar afwisselden.
plooiingsgebergte Gebergte waarvan de gesteentelagen plooien vertonen. Deze plooiingen ontstonden meestal door de werking van endogene krachten. Bijv. botsingen van twee continenten.
podzolgrond Bodem met een loodgrijze uitspoelingslaag A2 en een donkergekleurde inspoelingslaag B2. Meestal van zeer matige kwaliteit.
poel Moeras of plas.
polder Een gebied omringd door dijken met een kunstmatige waterbeheersing.
preboreaal Periode in het holoceen, van 8000 v. Chr. tot 7000 v. Chr., gekenmerkt door zeespiegelstijging.
productiefunctie De rol die een gebied speelt als gelet wordt op de agrarische productie van grondstoffen en/of goederen.
puinwaaier Sedimentpakket dat zich opbouwt in het gebied waar een rivier/stroom in een bekken terecht komt. In Nederland in het pre-glaciaal afgezet door o.a. Rijn en Maas.
puntelementen Kleine geïsoleerde elementen in een landschap, bijv. een molen.
put Plaats waar men turf graaft, kuil.
Pyreneeen Een plooiingsgebergte op de grens van Spanje en Frankrijk.
- Q -Terug naar de Index
- R -radeMiddeleeuwse ontginningsnaam die duidt op het rooien van bos.
randstadgroenstructuur Het geheel van samenhangende groene ruimtenn in de Randstad waar men de ruimtelijke kwaliteit wil verhogen. Hierbij gaat het om de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde.
recreatiedruk De toename in de benutting van natuur en landschap in landelijke gebieden door recreatie.
regressie Zeewaartse verschuiving van de kustlijn, die optreedt bij een zich terugtrekkende zee.
regulatiefunctie De wijze waarop het natuurlijk milieu dient als opvangmogelijkheid van allerlei processen.
relatieve zeespiegelstijging Het gecombineerde effect van de stijging van de zeespiegel en de daling van het land.
reliëf Hoogteverschillen in het landschap.
reliëfinversie Algemene term voor omkering in hoogte. In zeekleilandschap komen met zand opgevulde kreekbeddingen uiteindelijk hoger te liggen dan de ernaast gelegen meer (veen) ingeklonken poelgronden.
reservaat Een beschermd waardevol gebied.
reststroom De verplaatsing van het zeewater langs de kust, gemeten over een langere periode. De wind is hierbij de beslissende kracht.
ribben Hogere langgerekte stroken waar het uitgebaggerde veen op te drogen werd gelegd. Ook wel legakkers genoemd.
rijping Bodemvorming in klei.
ringdijk Dijk rondom een polder die als eerste werd aangelegd met behulp van materiaal dat afkomstig was van de aan de buitenzijde van deze dijk.
ringdorp Oud dorpstype waarbij de bebouwing zich concentreerd rond een knooppunt van wegen en soms een kerk.
ringvaart Kanaal rondom een polder of droogmakerij.
rivierduin Duin langs rivieren of beken, dat is opgebouwd uit materiaal dat ten tijde van het Weichselien uit de versmallende rivierbediingen is gewaaid.
rivierterras Een restant van een fluviatiele dalbodem, na insnijding door een rivier.
rooi Middeleeuwse ontginningsnaam die duidt op het rooien van bos.
ruilverkaveling Het ruilen van kavels door verschillende landeigenaren, en het aanpassen van het agrarisch landschap.
ruimtelijke kwaliteit Een hoge gebruikswaarde voor meerdere functies, belevingswaarde voor bewoners en bezoekers en de waarde voor de toekomst.
- S -saalienIJstijd in het pleistoceen.
sandr Smeltwaterafzetting uit het Saalien aan de voet van een stuwwal.
schaalvergroting Ontwikkeling waarbij steeds grotere eenheden worden gevormd, o.a. in de landbouw door mechanisatie, intensivering en specialisatie.
schoorwal Landtong die ontstaat door afzetting van zand in een bocht van de zee en op deze manier een inham geheel of gedeeltelijk afsluit. Deze inham wordt dan genoemd: etang, haf of lagune. Zie etang, hafkust en/of lagune.
schor Buitendijks gebied langs de zeekust dat begroeid is met zoutminnende flora en dat alleen bij zeer hoge vloed overstroomt. Ook wel kwelder genoemd. De naam schor is vooral in Zuidwest-Nederland in gebruik.
schot Beboste hoogte in moerasgebied.
sedimentatie Afzetten van verplaatst verweringsmateriaal, door water, ijs of wind.
selnering Turf afgraven voor de winning van zout. Dit gebeurde in gebieden waar het veen doordrenkt was van zout, o.a. in Friesland, West-Brabant en Zeeland. Ook wel moernering genoemd.
slenk Een laaggelegen deel van de aarkorst dat langs een breuk naar beneden gegleden is. Dit gebied wordt langzamerhand opgevuld met erosie producten van rivieren, die er doorheen stromen.
slik Uit zandig materiaal bestaand onbegroeid gebied in het waddengebied dat alleen bij eb droogvalt. Ook wel plaat genoemd. De naam slik wordt vooral gebruikt in Zuidwest-Nederland.
springvloed Extra hoge vloed als gevolg van het samenvallen van de aantrekkingskracht van maan en zon.
stedelijke druk De toename in de benutting van natuur en landschap in de landelijke gebieden door allerlei stedelijke gebieden.
stormvloed Extreem hoge vloed als gevolg van het samenvallen van springvloed in combinatie met een stormachtige Noordwesten wind. Deze omstandigheid was de oorzaak van de watersnoodramp van 1953.
strandwal In het Holoceen gevormde zandbank, evenwijdig aan de huidige kust, die bij normale getijden boven water uitstak. Hierop hebben zich de oude duinen gevormd.
streekdorp Dorp met langgerekte bebouwing, ontstaan langs rivier, beek, dijk of kanaal. Ook wel lineaire bebouwing genoemd.
streekplan Een door de provincie opgesteld plan waarin de toekomstige gewenste ontwikkelingen voor (een deel van) de provincie worden geschetst.
stroomrug Relatief hooggelegen strook in een riviervlakte, bestaande uit een opgevulde verlaten rivierloop en de daarbij behorende oeverwallen.
structuurschets Een door de overheid opgesteld plan waarin over bepaalde thema's het beleid op langere termijn wordt aangegeven. Voorbeelden van thema's: openluchtrecreatie, militaire oefenterreinen enz.
stuifzand Door verdroging of ingrepen van de mens verstoven dekzand, waardoor een grillig reliëf kan ontstaan.
stuwwal Door het landijs tijdens het saalien tot een heuvel opgedrukt materiaal. In Nederland aan te treffen ten noorden van de lijn Haarlem-Utrecht-Nijmegen.
subatlanticum Periode in het holoceen, van 700 v. Chr. tot heden, gekenmerkt door transgressie en afzetting van jonge zeeklei en vorming van jonge duinen.
subboreaal Periode in het holoceen, van 3000 v. Chr. tot 700 v. Chr., gekenmerkt door verlanding van het waddengebied, vorming van kwelders, Hollandveen en en oude duinen.
- T -taigaZone van naaldbossen tussen de 50° en 55° Noorderbreedte.
terp Kunstmatig opgeworpen heuvel, toevluchtsoord bij hoge waterstanden. Ook bekend onder de naam ward, werd, wierde en hil.
terpdorp Dorpstype in het zeekleigebied ontstaan op een kunstmatig opgeworpen heuvel. Ook bekend onder de naam warddorp, wierddorp of woerddorp (laatste benaming in het rivierengebied).
terrassen Vlakliggende beddingrestanten van rivieren in Zuid-Limburg.
tertiair Geologische periode van 65 miljoen tot 2,5 miljoen jaar geleden.
thermokarst(icing) Een verschijnsel dat zorgt voor snelle veranderingen in de reliëfvorm van het oppervlak door het smelten van ijs in de bodem. Niet al het water kan in de poriën van het losse materiaal worden opgenomen, waardoor de bodem ontstabiel wordt.
toendra Boomloze vlakte rondom de Noordpool, die het grootste deel van het jaar bevroren is.
toeristische complementariteit Het elkaar aanvullen van klimaat, landschap, en cultuur, waardoor een gebied toeristisch aantrekkelijk is.
tongbekken Door landijstongen uitgeschuurde laagte.
transgressie Landwaartse verschuiving van de kustlijn t.g.v. zeespiegelstijging.
trekgaten De langgerekte stroken waar het veen werd uitgebaggerd, naast de ribben of legakkers waar het veen te drogen werd gelegd. Ook wel petgaten genoemd.
tweede woning Een woning die door de eigenaar in bepaalde perioden van het jaar wordt gebruikt.
- U -uiterwaardStrook land langs een rivier tussen zomerbedding en en rivierdijk, die bij hoge waterstand onder water loopt.
- V -vaaggrondBodem waarbij de bodemvorming te kort duurde voor een goede horizontontwikkeling.
veen Opeenhoping van dode planten resten tijdens moerasachtige omstandigheden.
vegetatiezones Een vroeger bestaande indeling van vegetatietypen op basis van de binding van het klimaat als belangrijkste standplaatsfactor. De zones zijn door menselijke activiteiten grotendeels vervangen door cultuurland, waardoor het begrip eiegenlijk is achterhaald.
verdroging Proces waarbij grote delen grond minder vocht krijgen door de kunstmatige verlaging van de grondwaterstand t.b.v. de landbouw (makkelijker te bewerken met zware machines).
verdronken hoogveen Veen dat op basis van zijn ontstaanswijze hoogveen genoemd kan worden, maar dat door inklinking nu wat betreft hoogteligging tot het laagveen gerekend kan worden.
verkaveling Manier waarop de cultuurgrond in stukken (kavels) is verdeeld. We onderscheiden moderne rationele verkaveling (grote rechthoekige eenheden), strookverkaveling (lang en smal, al dan niet met bebouwing op de kavel) en blokverkaveling (kleinere rechthoekige eenheden).
verlanding Dichtgroeien van open water als gevolg van veenontwikkeling in ondiepe plassen.
verstedelijkt platteland Het gedeelte van het landelijk gebied dat in toenemende mate beïnvloed wordt door de steden.
vervening Het afgraven van hoogveen waardoor het huidige hoogveenlandschap ontstond, of het uitbaggeren van laagveen waardoor het huidige laagveenlandschap is ontstaan.
verwilderde rivier Rivier met een wisselende bedding.
verwoestijning Uitbreiding van de woestijn en/of het woestijnlandschap. De oorzaak ligt meestal bij de mens. Het verdwijnen van de planten en bomen waardoor een gebied steeds meer op een woestijn gaat lijken.
verzilting Toename van het zoutgehalte in het oppervlaktewater, grondwater of in de bodem.
verzuring Stijging van de zuurgraad in het milieu, o.a. door zure regen.
visueel landschap Het landschap zoals we dat vanaf een bepaald punt waarnemen.
vlakelementen Blokvormige elementen in een landschap, bijv. een akker of een bosperceel.
vlechtende rivier Rivier met een wisselende bedding, als gevolg van opvulling door sedimenten.
Vogezen Een middelgebergte, dat ontstaan is doordat het langs een breuk in de aarkorst naar boven is geschoven. Een horst dus net als het Zwarte Woud in Duitsland aan de andere kant van de Bovenrijnse Laagvlakte.
- W -waardDoor water omgeven land.
wad Ondiepe zee in een reliëfarm kustgebied, met een bodem van fijn los materiaal, een sterke getijdenwerking en van de open zee afgeschermd door een rij waddeneilanden.
waterschap Instantie die tot taak heeft de kwantiteit en de kwaliteit van het water in bepaalde gebieden te beheren.
wegdorp Dorp met langgerekte bebouwing, ontstaan langs rivier, beek, dijk of kanaal. Ook wel lineaire bebouwing genoemd.
weichselien Post-glaciale periode in het pleistoceen, waarin dekzand en löss is afgezet.
wetering Brede, meestal gegraven afwateringssloot in een kom.
wiel Diepe, ronde of ovale plas, ontstaan bij een doorbraak van een dijk. Gelegen achter de gedichtte dijk.
wierde Kunstmatig opgeworpen heuvel, toevluchtsoord bij hoge waterstanden. Ook bekend onder de naam ward, werd, terp en hil.
wijk Dwars op het hoofdkanaal gelegen zijkanaal in het hoogveenlandschap.
windkuil Verlaging in het duin ontstaan door winderosie (vaak een voorstadium van een duinvallei en een paraboolduin).
windsingel Bomenrij om de windkracht te breken.
winterbed Het gebied tussen de winterdijken, bestaande uit de zomerdijk en de uiterwaarden.
winterdijk Dijk op grotere afstand van de rivier die het gebied erachter beschermen tegen een overstroming. Het gaat om een hoge dijk die samen met de zomerdijk de uiterwaarden begrensd.
woud Hoog moerasbos in een nat gebied.
- X -Terug naar de Index
- Y -Terug naar de Index
- Z -zandVerweringsmateriaal, minerale deeltjes met doorsneden van 0,05-2 mm. Bestaat voor het het merendeel uit kwarts.
zavel Mengsel van zand en klei. Zware zavel heeft een groter percentage klei dan lichte zavel.
zeeboezem Gebieden waar land is weggeslagen of overstroomd door een stormvloed.
zeereep Direct aan de kust liggende duinenrij.
zoetwaterhuishouding Natuurlijke of kunstmatige wijze waarop de aan- en afvoer van zoet water in een gebied verloopt.
zoetwaterlens Zoet regenwater dat door een lagere soortelijke massa drijft op zout water in de duinen.
zomerdijk Lage dijk of kade aan weerszijden van de rivier, die het gebied erachter beschermen tegen een overstroming in de zomer.
zonering van landelijke gebieden Een indeling van landelijke gebieden in gebieden met een bepaalde ontwikkelingskoers en een eigen verdeling van functies.
zouttong Zout water dat bij vloed terecht komt onder het lichtere afstromend rivierwater.
zwetsloten Kleine ontwateringssloten in het hoogveenontginningslandschap.
|