Woordenlijst
Autotroof
Benthisch
Carapax
Ectoderm
Entoderm
Fytoplankton
Netelcellen
Octocorallia
Pelagisch
Plankton
Planktonisch
Rostrum
Sessiele
Systematiek
Zoöplankton
Zoöxantellen
Autotroof:
- Vanwege het vermogen van fytoplankton om uit water, koolzuurgas en zonlicht organisch materiaal te vormen
(fotosynthese) maakt ze onafhankelijk van andere levensvormen. Ze hoeven dan ook geen ander organisch materiaal te
absorberen maar produceren dat zelf. Dat wordt autotroof genoemd in tegenstelling tot heterotroof.
Benthisch:
- Alle levensvormen die vastzitten aan de bodem of aan andere vastzittende organismen (sessiele benthos) en
organismen die zich kruipend of lopend over de bodem bewegen (vagiele benthos).
Carapax:
- Rugschild bij geleedpotigen.
Ectoderm:
- Buitenste laag van het uit twee lagen bestaande lijf van holtedieren. De binnenste laag heet "entoderm"
en daartussen ligt de"mesogloea". De mesogloea kan, afhankelijk van de soort, bestaan uit; een celloos membraan,
een vezelige gespierde laag of een dikke gelei zonder structuur.
Entoderm:
- Binnenste laag van het uit twee lagen bestaande lijf van holtedieren. De buitenste laag heet "ectoderm"
en daartussen ligt de"mesogloea". De mesogloea kan, afhankelijk van de soort, bestaan uit een celloos membraan,
een vezelige gespierde laag of een dikke gelei zonder structuur.
Fytoplankton:
- Het plantaardige gedeelte van het plankton dat voornamelijk bestaat uit minuscule ééncellige wieren
(diatomeeën). Vanweg hun vermogen om uit water, koolzuurgas en zonlicht organisch materiaal te vormen
(fotosynthese) staan zij aan het begin van de voedselketen.
Mesogloea:
- Ligt tussen het uit twee lagen bestaande lijf van holtedieren. De binnenste laag heet "entoderm" en
buitenste laag heet "ectoderm" daartussen ligt de"mesogloea". De mesogloea kan, afhankelijk van de soort, bestaan
uit; een celloos membraan, een vezelige gespierde laag of een dikke gelei zonder structuur.
Netelcellen:
- Netelcellen brengen netelkapsels voort, die zich in verschillende weefsels van het neteldier, maar vooral in
de tentakels, bevinden. Het zijn kleine, tot 1mm grote, holle ruimten waarin zich een, als een veer, opgerolde
netelhaar bevindt. Deze netelharen kunnen, bij aanraking, explosief naar buiten schieten en doorboren de huid van
een prooi of vijand. De punt van de netelhaar is uitgerust met weerhaakjes. Binnenin de netelhaar loopt een
kanaaltje waardoor gifstoffen in de prooi of vijand worden geïnjecteerd.
Deze gifstoffen verschillen per neteldier en kunnen buitengewoon agressief zijn; zoals bij de zeewesp
(die ook voor de mens dodelijk kan zijn), tot gifstoffen zoals bij de oorkwal die voor de mens absoluut
ongevaarlijk zijn. Sommige netelcellen brengen alleen maar kleverige kapsels voort, die door de bezitter
worden gebruikt om voedsel te vangen.
Octocorallia:
- Deze dieren hebben allemaal een kroon van acht tentakels, of een veelvoud van acht.
Onder deze Octocorallia (octo is acht) vallen de zachte, hoorn-en lederkoralen.
Pelagisch:
- Alle zichzelf in volle zee voortbewegende organismen.
Plankton:
- Alle organismen die zich vrij-zwevend in het zeewater bevinden en zich door de stroming laat verplaatsen.
Dit in tegenstelling tot het "Nekton" die zelf in staat is om zich te verplaatsen.
Plankton kan bestaan uit dierlijke organismen (zoöplankton) en uit plantaardig plankton (fytoplankton).
Planktonisch:
- Kleine vrijzwemmende larven.
Rostrum:
- Het Rostrum is het naar voren uitstekende puntige gedeelte tussen de ogen van een garnaal. De lengte en de vorm kunnen erg behulpzaam
zijn bij het determineren van de soort.
Sessiele:
- Een sessiele levensvorm is een dier dat vastzit op een vaste plaats. Deze dieren kunnen zich meestal in het larvalle stadium nog wel verplaatsen,
maar zodra zij dan, al of niet bewust, een geschikte plaats hebben gevonden. Zetten zij zich daarop vast en zijn dan afhankelijk van het door de
stroming aangevoerde voedsel.
Systematiek:
- Systematiek of taxonomie is de wetenschap die biologen uitoefenen als zij trachten orde te scheppen tussen de soorten. Elke soort
krijgt een latijnse naam die dan overal in de wereld gebruikt gaat worden. Zo'n naam bestaat uit 2 delen die de geslachtsnaam
(begint met hoofdletter)en de soortnaam (zonder hoofdletter) vertegenwoordigen.
Zoöplankton:
- Dierlijke organismen die zich vrij-zwevend in het zeewater bevinden en samen met het fytoplankton het plankton vormen.
Zoöplankton bestaat uit hele kleine dierlijke organismen, en uit larven van sponzen, weekdieren, zakpijpen, geleedpotigen
noem maar op. Deze larven maken korte of langere tijd deel uit van het plankton, tot zij een goede plek hebben gevonden om
zich blijvend te vestigen zoals zakpijpen en sponzen (sessiele levensvormen), of tot zij groot genoeg zijn om zich
zelfstandig te verplaatsen, zoals vissen (pelagisch levensvormen) en
geleedpotigen (vagiele levensvormen).
Zoöxantellen:
-
Zoöxantellen zijn èèncellige bruinalgen. Zij leven met miljoenen binnen het lichaamsweefsel van koralen en weekdieren zoals
de doopvontschelp. Die Zoöxantellen spelen een heel belangrijke rol in de voedselvoorziening en de groei van het kalkskelet.
Net als alle groene planten, produceren deze Zoöxantellen zuurstof en suikers, Dit doen zij door lichtenergie en het door de poliep uitgescheidden
koolzuurgas om te zetten in zuurstof en suikers.
Deze zuurstof en suikers worden met de aanwezige meststoffen en mineralen weer omgezet in eiwitten en vetten.
Deze eiwitten en vetten kunnen meteen in de stofwisselingskringloop van het desbetreffende dier worden opgenomen. Het uitgescheiden zuurstof wordt ook
gebruikt. Het tweede voordeel van deze Zoöxantellen is, dat door hun gebruik van koolzuurgas, de produktie van kalk, door de poliep, ongeveer
10 keer zo snel geschiedt, dan wanneer zij niet in het lichaamsweefsel aanwezig zouden zijn.
De bruinalgen zijn ook nog vaak verantwoordelijk voor de kleuren van hun gastheer.
Reacties en aanvullingen op deze pagina
E-mail Ron Offermans