|
Verklaring opvarenden Swift IJm54
Pieter Dijkdrent
| |
Verkaringen opvarenden
Voor mij, Klaas Willem Roeda, cabdidaat-notaris, wonende te Velsen, als plaatsvervanger van Willem Boerlage,notaris ter standplaats de gemeente Velsen, compareerden:
- 1. de heer Pieter Dijkdrent, schipper, wonende te Katwijk aan Zee
- 2. de heer Andries van Beelen. Matroos-roerganger, wonende te Katwijk aan Zee
Volgens hun verklaringen bij na te melden gebeurtenissen opvarenden van motorkotter “Swift IJM 54”, toebehorende aan de naamloze vennootschap “N.V. Zeevisscherij Maatschappij Limburgia”, gevestigd te IJmuiden.
De comparanten hebben overeenstemmende verklaringen afgelegd omtrent de navolgende gebeurtenissen, welke verklaringen alle zakelijk luiden als volgt:
Dinsdag 13 oktober 1970 te circa 17:00 visten wij ter hoogte van 52,25 NB en 04.22 OL met een Noord-Noord-Westen koers, om op een afstand van zes mijl uit
de kust te blijven; De strook die wij bevisten liep van het REM-eiland tot twee mijl bezuiden de verkenningston van IJmuiden.
Het mistte en het zicht bedroeg ongeveer 200 meter. De windrichting was variabel windkracht 1, snelheid drie mijl. Wij hadden de viskegels opgehangen en de
visvuren brandden, terwijl wij de gebruikelijke mistsignalen gaven.
Op de radar had de schipper tussen de pieren van IJmuiden een schip waargenomen, terwijl er een concentratie van ongeveer zeven vissersvaartuigen om ons
heen zat. Er was veel scheepvaart tussen de pieren van IJmuiden tot de verkenningston. Daar wij alstoen geen koers te opzichte van eerder genoemd door ons
waargenomen schip konden bepalen, hielden wij onze koers. Toen wij bemerkten dat dit schip, volgens de radarpeilingen, een Zuidwestelijke koers kwam
voorstomen de derhalve dwars aan stuurboord op ons inkwam, verlegden wij onze koers naar Noord-west, zodat wij het schip meer achterlijk dan dwars brachten.
De afstand was toen nog ongeveer drie mijl. Naar waarnemingen op de radar bemerkte de schipper dat het schip steeds verder naar achteren afzakte, waaruit
hij de conclusie trok, dat dit schip achter ons om zou stomen.
Op een gegeven ogenblik bemerkte de schipper dat dit schip koers verlegd had en ons vier
streken achterlijk dan dwars op kwam lopen op een afstand van naar schatting een halve mijl. Wij konden onze koers niet verder westelijker verleggen door
de stroomrichting Noord en de weerstand van het vistuig. Wij hoorden toen een mistsignaal en vlak daarop nog één en veel harder. De schipper keek achterom
en zag het schip op ongeveer 150 meter afstand op ons instomen. Om nog een aanvaring te vermijden liet de schipper volle kracht achteruitslaan met de
bedoeling dit schip voor ons over te laten gaan. Wij konden echter niet verhinderen dat hij ons ramde aan de voorkant van het visruim even achter de bak.
De steven van dit schip drong schuin naar voren ongeveer twee meter naar binnen. De bovenkant van zijn
kop drukte onze mast om. Hij sleurde ons ongeveer vijf minuten mee, alvorens hij tot stilstand kwam.
Wij hadden de motor van ons schip intussen afgezet.
Van het schip dat ons ramde, genaamd “Phenix 1” werd een touwladder naar beneden gegooid, waar twee bemanningsleden op naar boven klommen. Dit schip, een
tanker, raakte daarop los. Hij bleef dwars aan stuurboord van ons drijven. De omliggende schepen waren intussen gewaarschuwd en de KW 98 heeft de schipper
en de overige bemanningsleden aan boord genomen. Het water stond toen tot achter de brug. Door de klap van de aanvaring was onze radar uitgevallen, de
voorvislijn gebroken en we lagen nadat we tot stilstand waren gekomen als het ware op ons vistuig verankerd.
Ons schip zonk om ongeveer 17:45.
Daar de Phenix 1 aanvankelijk ruim achterom zou stomen en dit schip naderhand zijn koers verlegde op ongeveer West-Noordwest en wij met Noord-West koers vissende niet verder bakboord af konden wijken, ligt de schuld van de aanvaring bij de Phenix 1,een schip van Liberiaanse nationaliteit.
|