Hulpwerkwoorden
Er komen in het Engels meerdere hulpwerkwoorden voor. Hieronder vind je een overzicht.
| komt als zelfstandig werkwoord en als hulpwerkwoord, voor de present en past continuous. |
||
|
|
|
| komt als zelfstandig werkwoord voor en als hulpwerkwoord voor de present en past simple. |
||
|
|
|
|
| komt als zelfstandig werkwoord voor en als hulpwerkwoord voor de present en past perfect. |
||
|
|
|
|
|
a. betekent in staat zijn b. duidt op toestemming (ook: verzoek) |
|
|
|
|
Vb. a: My brother can play the guitar Vb. b: You can go now. |
|
a. Wordt gebruikt in verzoeken (beleefder dan can) b. geeft een mogelijkheid aan c. betekent in staat zijn in het verleden |
|
|
|
|
Vb. a: Could you do me a favour? Vb. b: I could seell the moped. Vb. c: Could you swim when you were two? |
|
a. drukt een mogelijkheid uit b. drukt toestemming uit |
|
|
|
|
Vb. a: Henry may be right. Vb. b: May I help you? - Yes, you may. |
|
|
drukt een mogelijkheid uit, maar met een grotere onzekerheid dan may. |
|
|
|
|
Vb: Wendy might come. |
|
a. drukt een bevel uit b. geeft een conclusie weer c. drukt een verbod uit (met not) |
|
|
|
|
Vb. a: All passengers must leave the ship. Vb. b: You must be Fred's sister Vb. c: Visitors must not park here. |
| drukt toekomst uit |
||
|
|
|
Vb: Will you come with me to the station tomorrow? |
|
a. drukt de verleden tijd uit van will b. drukt beleefdheid uit |
|
|
|
|
Vb. a: I said I would phone her. Vb. b: Would you come this way, please? |