Onregelmatige werkwoorden

Hieronder vind je een overzicht van een groot aantal onregelmatige werkwoorden. Door op het werkwoord te klikken krijg je de uitspraak te horen.

Als je de andere keuzemogelijkhied voor onregelmatige werkwoorden kiest in het menu, kun je ook oefenen met een groot aantal werkwoorden.

Hele werkwoord Verleden tijd Voltooid deelwoord Vertaling
be was / were been zijn
bear bore borne dragen / verdragen
beat beat beaten slaan
become became become worden
begin began begun beginnen
bend bent bent (ver)buigen
bet bet bet wedden
bind bound bound binden
bite bit bitten bijten
blow blew blown blazen
break broke broken breken
breed bred bred fokken
bring brought brought brengen
broadcast broadcast broadcast uitzenden
build built built bouwen
burn burnt burnt (af)branden
burst burst burst barsten
buy bought bought kopen
catch caught caught vangen / vatten / halen
choose chose chosen kiezen
come came come komen
cost cost cost kosten
creep crept crept kruipen
cut cut cut snijden
deal (with) dealt dealt behandelen
dig dug dug graven
do did done doen
draw drew drawn tekenen
dream dreamt dreamt dromen
drink drank drunk drinken
drive drove driven rijden
eat ate eaten eten
fall fell fallen vallen
feed fed fed voeden
feel felt felt voelen
fight fought fought vechten
find found found vinden
flee fled fled vluchten
fling flung flung werpen
fly flew flown vliegen
forbid forbade forbidden verbieden
forecast forecast forecast voorspellen
forget forgot forgotten vergeten
forgive forgave forgiven vergeven
freeze froze frozen (be)vriezen
get got got krijgen / worden
give gave given geven
go went gone gaan
grind ground ground malen
grow grew grown groeien / worden
hang hung hung hangen
have had had hebben
hear heard heard horen
hide hid hidden zich verbergen
hit hit hit raken
hold held held vasthouden
hurt hurt hurt pijn doen
keep kept kept houden
know knew known weten
lay laid laid leggen
lead lead lead leiden
leap leapt leapt springen
learn learnt learnt leren
leave left left achterlaten / verlaten
lend lent lent uitlenen
let let let laten
lie lay lain liggen
light lit lit aansteken
lose lost lost verliezen
make made made maken
mean meant meant bedoelen / betekenen
meet met met ontmoeten / afhalen
mow mowed mown maaien
pay paid paid betalen
put put put (ergens in) doen
read read read lezen
ride rode ridden rijden (paard / fiets)
ring rang rung opbellen
rise rose risen rijzen / opkomen (zon)
run ran run rennen / lopen
say said said zeggen
see saw seen zien
seek sought sought zoeken
sell sold sold verkopen
send sent sent sturen
set (off)  set set vertrekken
sew sewed sewn naaien
shake shook shaken schudden
shine shone shone schijnen
shoot shot shot schieten
show showed shown tonen
shrink shrank shrunk krimpen
shut shut shut sluiten
sing sang sung zingen
sink sank sunk zinken
sit sat sat zitten
sleep slept slept slapen
smell smelt smelt ruiken
sow sowed sown zaaien
speak spoke spoken spreken
speed sped sped snel rijden
spend spent spent doorbrengen / uitgeven
spin spun spun draaien
spit spat spat spuwen
split split split verdelen
spoil spoilt spoilt bederven / verwennen
spread spread spread (zich) verspreiden
stand stood stood staan / verdragen
steal stole stolen stelen
stick stuck stuck plakken / steken
stride strode stridden stappen / schrijden
strike struck struck treffen / staken
swear swore sworn zweren / vloeken
sweep swept swept vegen
swell (up) swelled swollen (op)zwellen
swim swam swum zwemmen
swing swung swung zwaaien
take took taken nemen
teach taught taught leren / onderwijzen
tear tore torn scheuren / afbreken
tell told told vertellen
think thought thought denken / vinden
throw threw thrown gooien
understand understood understood begrijpen
wake woke woken wakker worden
wear wore worn dragen (van kleding)
weep wept wept huilen
win won won winnen
write wrote written schrijven