Past Simple - Past Continuous
Vaak komen beide tijden samen in één zin voor. De ene gebeurtenis vond dan plaats terwijl de andere aan de gang was, ofwel: één gebeurtenis duurde lang, de ander korter.
De langstdurende
gebeurtenis krijgt de Past Continuous
(1)
De kortstdurende gebeurtenis
krijgt de Past Simple (2)
Wanneer je dit in een tijdbalk weergeeft, ziet het er als volgt uit:

I was watching TV when my mother came into the room.
Er gebeuren twee dingen in deze zin:
| - Ik was tv aan het kijken (1) |
duurt het langst, dus Past Continuous |
| - Mijn moeder kwam binnen (2) |
duurt het kortst, dus Past Simple |