Past Simple - Past Perfect

 

Gebruik

De Past Perfect gebruik je om aan tegeven dat iets voor iets anders gebeurde. Wanneer je beide in één zin moet invullen, moet je je dus steeds afvragen in welke volgorde de gebeurtenissen plaatsvonden.
Vaak staan er wel woorden in de zin die dat duidelijk maken, zoals: after, before, first, then.

De eerste gebeurtenis krijgt de Past Perfect (1)
De tweede / laatste gebeurtenis krijgt de Past Simple (2)

Wanneer je dit in een tijdbalk weergeeft, ziet het er als volgt uit:

tijdbalkpastsimpperf.jpg (12629 bytes)

 

Voorbeeld

I had just started the match when we  arrived at the stadium.

Er gebeuren twee dingen in deze zin:

-  De wedstrijd begon (1)

gebeurt het eerst, dus Past Perfect

-  We arriveerden bij het stadion (2)

gebeurt het laatst, dus Past Simple

naar de oefening over aanwijzende voornaamwoorden