Past Simple - Past Perfect
De Past Perfect gebruik je om aan tegeven dat
iets voor iets anders gebeurde. Wanneer je beide in één zin moet invullen, moet
je je dus steeds afvragen in welke volgorde de gebeurtenissen plaatsvonden.
Vaak staan er wel woorden in de zin die dat duidelijk maken, zoals: after,
before, first, then.
De eerste
gebeurtenis krijgt de Past Perfect
(1)
De tweede / laatste gebeurtenis
krijgt de Past Simple (2)
Wanneer je dit in een tijdbalk weergeeft, ziet het er als volgt uit:

I had just started the match when we arrived at the stadium.
Er gebeuren twee dingen in deze zin:
- De wedstrijd begon (1) |
gebeurt het eerst, dus Past Perfect |
- We arriveerden bij het stadion (2) |
gebeurt het laatst, dus Past Simple |