Past Simple - Present Perfect
Gebruik je wanneer een gebeurtenis zich duidelijk in het verleden plaatsvond en niets met het heden te maken heeft. Meestal staat er wel een tijdsbepaling in de zin, zoals: yesterday, last month, in 1989.
Gebruik je wanneer het niet belangrijk is wanneer een gebeurtenis zich afspeelde en wanneer er verband is tussen heden en verleden. Dat kan op twee manieren:
A) Iemand doet nog iets of er is nog iets aan de gang dat in het verleden begonnen is.
| Voorbeeld: | He has lived here for six years. | Hij woont hier al 6 jaar, dus nu nog steeds. |
B) Iemand heeft iets gedaan of er is iets gebeurd waarvan het resultaat nu nog merkbaar of zichtbaar is. Het is niet belangrijk wanneer het gebeurd is.
| Voorbeeld: | She has passed her driving test. | Ze heeft in het verleden haar rijexamen gehaald en mag nog steeds rijden. |