INDEX :
- A -Algemeen kiesrechtVoor mannen in 1917 ingevoerd; voor vrouwen in 1919 in de Tweede kamer aanvaard en in 1922 in de grondwet opgenomen. Algemene Bijstands Wet (ABW) De belangrijkste sociale voorziening is de ABW die iedere Nederlander een bestaansminimum garandeert. Algemene maatregel van bestuur Uitwerking van een formele wet in aparte regels door de regering, zonder medewerking van het parlement. Algemene Ouderdoms Wet (AOW) Sociale wet uit 1957; regelde dat er een ouderdomspensioen kwam waar premie voor moest worden betaald. Algemene vergadering Vergadering van de VN, waarin alle lidstaten één stem hebben. De algemene vergadering doet alleen aanbevelingen. Aristocratie Regeringsvorm waarbij de hoogste macht berust bij mensen met een hoge afkomst of grote rijkdom. Autonomie Bevoegdheid van de lagere overheden om zelfstandig te besturen en regels op te stellen.
- B -BeleidPlannen die een minister heeft voor de samenleving en de manier waarop hij die wil verwezenlijken. Bijzonder Onderwijs Scholen opgericht en bestuurd door burgers die willen dat onderwijs vanuit een geloofsovertuiging wordt gegeven. Budgetrecht Recht van Eerste en Tweede Kamer om de begroting vast te stellen. Buitenparlementaire acties cties waarmee burgers een bepaald doel nastreven, maar die niet via politieke partijen lopen (demonstraties). Burgemeester Voorzitter van gemeenteraad en college van B & W en hoofd van politie en brandweer; benoemd door de minister.
- C -CensuskiesrechtBeperkt kiesrecht, alleen toegekend aan een groep die bijvoorbeeld een bepaald inkomen verdiende of grond bezat. Centraal Comité van Anti Revolutionaire Kiesverenigingen Algemene vergadering van alle anti-revolutionaire partijafdelingen in 1878, het begin van de ARP. Christen Democratisch Appel (CDA) Politieke partij, in 1980 ontstaan door een fusie van de confessionele KVP, ARP en CHU. College van B & W Dagelijks bestuur van een gemeente, gevormd door de burgemeester en de wethouders. Commisaris van de Koningin Voorzitter van de Provinciale en Gedeputeerde staten; is betrokken bij regelgeving en benoemingen. Confessionelen Politici die een bepaalde geloofsovertuiging aanhangen. Consensus Overeenstemming (over politieke kwesties). Conservatieven Mensen die bestaande normen en tradities willen handhaven. Verandering en vernieuwing zijn geen verbetering. Constitutionele Monarchie Koninkrijk (monarchie) waarbij vorst en volk zich aan de grondwet (constitutie) moeten houden. Corporatisme Leer over de organisatie van het bedrijfsleven; werkgevers en werknemers werken samen om arbeidsconflicten te voorkomen.
- D -D66Politieke partij, opgericht in 1966 door vooruitstrevende liberalen met grote vernieuwingsdrang. Decentralisatie Niet meer vanuit één punt alles beslissen, maar het regeren overlaten aan lagere overheden. Democratie Regeringsvorm waarbij de macht berust bij het volk. Er is een onderscheid tussen directe en representatieve democratie. Dictatuur Regeringsvorm waarbij één persoon of een kleine groep de hoogste macht in een staat bezitten. Directe democratie Regeringvorm waarbij alle burgers mee kunnen beslissen in een gemeenschappelijke volksvergadering. Dualisme Politieke situatie waarbij regering en parlement ieder hun eigen gescheiden verantwoordelijkheden hebben. Dualistisch stelsel Rechtssysteem in een land waarbij internationale wetten niet direct geldig zijn.
- E -EenheidsstaatStaat waarin de macht bij de centrale overheid ligt, maar lagere overheden ook regels mogen maken. Emancipatie Letterlijk: zich bevrijden. Het streven naar gelijke rechten, bijvoorbeeld tussen man en vrouw. Emancipatieraad Adviesraad van de regering op het gebied van de gelijkstelling van vrouwen in de samenleving. Euratom Europese Gemeenschap voor Atoomenergie; evenals de EEG gesloten in 1957; gericht op vreedzaam gebruik van kernenergie. Europees Sociaal Handvest Document uit 1961 waarin Europese staten sociale grondrechten vastlegden. Europese beweging Groep politici die Europese samenwerking wilden op federale basis (zelfstandigheid behouden). Europese Commissie Dagelijks bestuur van de EU; bestaat uit een voorzitter en commissarissen (een soort ministers). Europese Commissie zie .. Europese conventie tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden Verdrag tussen Europese staten uit 1950, waarin werd afgesproken de mensenrechten na te leven. Europese deling Zwaar bewaakte scheidslijn die na WO II Europa verdeelde in een communistisch en een kapitalistisch deel. Europese Economische Gemeenschap (EEG) Samenwerkingsverband gesloten in 1957 tussen Frankrijk, Duitsland, Italië en de Benelux om tot een douane-unie te komen. Europese Hof Rechtbank van de EU; ziet toe op naleving van de Europese rechtsregels. Europese Parlement Volksvertegenwoordiging van de EU; wordt sinds 1979 rechtstreeks door burgers uit de lidstaten gekozen. Europese Raad Hoogste vergadering van de EU: regeringsleiders, de Franse president en de voorzitter van de Europese Commissie. Europese Unie (EU) Geheel van afspraken tussen Europese landen om tot hechtere samenwerking te komen. Voorheen Europese Gemeenschap.
- F -Formele wettenDe wetten die door regering en parlement gezamelijk - zoals de grondwet voorschrijft - zijn vastgesteld. Functionele decentralisatie De bevoegdheid van een instelling als het waterschap om zelfstandig een overheidstaak te vervullen.
- G -Gedeputeerde StatenDagelijks bestuur van een provincie. De gedeputeerde staten bestaan uit zes leden, gekozen door en uit de provinciale staten. Gelijke beloning De situatie dat mannen en vrouwen die hetzelfde werk doen, ook hetzelfde verdienen. Gemeenteraad Hoogste bestuursorgaan van een gemeente; de leden worden voor vier jaar door de bevolking gekozen. Grondrechten Basisrechten die burgers niet afgenomen mogen worden, waaronder: vrijheid van meningsuiting en gelijkheid voor de wet. Grondwet Verzameling hogere wetten. Deze bevat grondrechten van de burgers en regels voor het staatsbestuur.
- H -HandelingsonbekwaamheidTot 1956 mocht een getrouwde vrouw zelf geen belangrijke beslissing nemen. Toestemming van haar echtgenoot was nodig. Handvest Document waarin de beginselen van een organisatie als de verenigde naties zijn vastgelegd.
- I -IndividualiseringOntwikkeling naar een situatie waarin het individuele belang voorrang heeft boven het groepsbelang. Internationaal hof van justitie Rechtbank van de VN, gevestigd in Den Haag; kan zijn oordeel niet afdwingen. Wordt ook Internationaal Gerechtshof genoemd. Internationale rechtsorde Omgangsvormen in de contacten tussen landen en burgers uit verschillende landen.
- J -JurisprudentieDe uitspraken van hogere rechters in vroegere rechtszaken. Deze vormen een leidraad voor rechters.
- K -KabinetWordt gevormd door alle ministers samen; zij vergaderen wekelijks o.l.v. de minister-president. Kapitalisme Economisch systeem waarin bedrijven en produktiemiddelen in particuliere handen zijn en winst maken voorop staat. Kinderwet (1874) Sociale wet van de liberaal Van Houten, die verbood dat kinderen onder twaalf jaar in fabrieken werkten. Koninklijk besluit Een wet die geldt voor één geval, bijvoorbeeld een benoeming of de vaststelling van examendata. Koude Oorlog (1945-1990) Periode van grote spanningen maar net geen atoomoorlog tussen het kapitalistische Westen en het communistische Oosten.
- L -Lagere OverhedenDe bestuurslichamen in provincie (Provinciale en Gedeputeerde Staten) en gemeente (Gemeenteraad, college van B & W). Legitimiteit Wettigheid. Wettelijke basis van een staat om macht uit te oefenen over de burgers. Liberale principes Overtuiging dat burgers zoveel mogelijk vrijheid moeten hebben en dat staatsbemoeienis beperkt moet blijven. Liberale Unie Politieke organisatie van de liberalen, in 1885 opgericht. Liberalen Aanhangers van de overtuiging dat vrijheid en eigen initiatief goed zijn voor de burgers en de samenleving.
- M -Marshallplan(1947) Economisch hulpprogramma van de VS om Europa na WO II weer op de been te brengen. Medebewind De plicht van de lagere overheden om de regelingen van de centrale overheid uit te voeren. Mensenrechten Zie Grondrechten. Ook vrijheid van godsdienst, onaantastbaarheid van het lichaam. Minister zonder portefuille Een minister die geen eigen departement en de daarbij horende ambtenaren heeft. Ministerie Departement waar ambtenaren werken en het beleidsterrein waar een minister de verantwoordelijkheid over draagt. Ministeriële verantwoordelijkheid Een minister moet voor zijn politieke daden en die van de vorst verantwoording afleggen aan het parlement. Ministeriële verordening Officiële opdracht van een minister aan zijn ambtenaren om extra aandacht aan een kwestie te schenken. Ministers Bewindslieden, vormen samen de regering; moeten zich verantwoorden over hun beleid in het parlement. Monarchie Een land waar een vorst aan het hoofd staat; de monarch bezit erfelijke macht. Monistisch stelsel Rechtssysteem in een land dat aan internationale wetten directe geldigheid geeft. Motie van wantrouwen Voorstel van de Kamer(s) om het beleid van een bewindspersoon af te keuren, die daarop meestal ontslag neemt.
- N -Nationaal-SocialismeNationalistische en racistische beweging, ontstaan in Duitsland na WO I, keerde zich tegen democratie en gelijke rechten. Natuurrecht De verzameling fundamentele rechten die mensen van nature bezitten; in feite: mensenrechten. Neutraliteitspolitiek Politiek van een land om geen bondgenootschappen te sluiten en zo buiten internationale conflicten te blijven.
- O -OligarchieRegeringsvorm waarbij een kleine groep de macht uitoefent en deelname van anderen uitsluit. Ongevallenwet Sociale wet uit 1901 die werknemers verplicht verzekert tegen de financiële gevolgen van een bedrijfsongeval. Openbaar Onderwijs Scholen door de overheid opgericht, zonder een religieuze boodschap en voor iedereen toegankelijk. Organisatie voor europese economische samenwerking Door West-Europese landen in 1948 opgerichte organisatie om te overleggen over de besteding van de Marshall-hulp.
- P -ParlementDe volksvertegenwoordiging in een land. In Nederland de staten-generaal. Parlementair Enquête Recht van de Eerste en de Tweede Kamer om een uitgebreid onderzoek in te stellen. Parlementair Stelsel Regeringsvorm waarbij het volk zijn eigen vertegenwoordigers in het parlement heeft gekozen. Parlementaire democratie Stelsel waarbij het volk invloed uitoefent op de regering, via een democratisch gekozen volksvertegenwoordiging. Partij van de Arbeid (PVDA) Socialistische partij, opgericht in 1946, opvolger van SDAP. De PvdA stelde zich ook open voor niet-socialisten. Privatisering Het afstaan van overheidstaken aan het bedrijfsleven, bijvoorbeeld de gemeentelijke vuilophaaldienst. Provinciale Staten Bestuurslichaam die belast zijn met het besturen van een provincie, gekozen door de inwoners van die provincie.
- Q -Terug naar de Index
- R -Raad van EuropaOrganisatie van Europese landen, opgericht in 1949, met als doel de Europese eenheid te bevorderen. Raad van Ministers Besluitvormende instelling van de EU; wordt gevormd door ministers uit de twaalf lidstaten. Recht van amendement Recht van de Tweede Kamer om in een wetsvoorstel wijzigingen aan te brengen. Rechter Een door de regering voor het leven benoemd onafhankelijk persoon die in rechtszaken oordeel velt. Rechtsprekende macht Macht om recht te spreken en toe te zien op de naleving van de wetten. Rechtsstaat Een land waarin de burgers worden beschermd tegen dwang en willekeur van de overheid. Regiovorming Samenwerkingsvorm tussen verstedelijkt gebied en het omliggende landelijke gebied. Representatieve democratie Regeringsvorm waarbij een door het volk gekozen vertegenwoordiging de beslissing neem (zie parlementaire democratie). Rooms Katholieke Staats Partij (RKSP) Politieke partij voor katholieken, opgekomen rond 1900 o.l.v. Schaepman, opgericht in 1926. In 1945 herdoopt in KVP. Rooms-Rode Coalitie Politieke samenwerking tussen katholieken (KVP) en socialisten (PVDA) die samen kabinetten vormden (1946-1958).
- S -SchoolstrijdPolitieke strijd rond 1900 waarbij de confessionele partijen gelijkberechtiging van het bijzonder onderwijs opeisten. Sociaal Democratische Arbeiders Partij (SDAP) Socialistische politieke partij, opgericht in 1894; kwam op voor de belangen van de arbeiders. Sociaal Democratische Bond (SDB) Eerste socialistische partij in Nederland, in 1882 opgericht. De SDB werd o.l.v. Domela Nieuwenhuis zeer radicaal. Sociaal-Democraten Socialistische beweging die zonder geweld of revolutie een klassenloze samenleving tracht te verwezenlijken. Sociale Partners Werkgevers en werknemers, die bijvoorbeeld in de Stichting van de Arbeid de arbeidsvoorwaarden bespreken. Sociale Voorzieningen Regelingen waarbij de overheid uitkeringen verstrekt aan mensen die niet in eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Sociale Wetten Wetten die de overheid heeft gemaakt ter bescherming van koopkracht en het bestaansminimum. Socialisme Beweging die inkomensverschillen en klassenverschillen wil opheffen en paticulier bezit staatseigendom wil maken. Soevereine Staten Onafhankelijke staten. Soevereiniteit in eigen kring Wens van anti-revolutionaire leiders om goddeloze liberale ideeën buiten de deur te houden. Staatkundig Gereformeerde Partij (SGP) Politieke partij, in 1918 opgericht door ontevreden ARP-leden. De SGP is streng christelijk. Staatsinrichting Alles wat met de organisatie van de staat te maken heeft, zoals politieke macht, grondwet, kiesrecht enzovoort. Staatssecretarissen Bewindslieden een soort onderministers; nemen een deel van de taak van een minister op zich. Stadsgewest Samenwerkingsvorm van verschillende plaatsen in een verstedelijkt gebied, bijvoorbeeld over woningbouw. Staten-Generaal De Nederlandse volksvertegenwoordiging, die bestaat uit de Eerste en Tweede Kamer. Stempelen Om zwart werken tegen te gaan moesten werkloze steuntrekkers in de crisisjaren twee keer per dag stempelen. Steuntrekker Werklozen die in de crisisjaren een uitkering ontvingen. De steun was laag en er werd scherp gekontroleerd. Subsidiariteit Katholieke idee dat de staat geen zaken naar zich toe mag trekken die particulieren zelf kunnen regelen. Subsidiëring Bekostiging van iets, bijvoorbeeld bijzonder onderwijs, door de overheid. Supranationale Organisaties Bovennationale organisaties. Gemeenschappelijk gezag dat boven de macht van nationale regeringen staat.
- T -TirannieAlleenheersers die hun macht misbruiken. Totalitair Systeem Dictatuur waarbij het individu ondergeschikt is aan de staat; propaganda en terreur zorgen voor gehorzame burgers. Trias Politica Staatsleer van Montesquieu over 'scheiding der machten', in wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht.
- U -Uitvoerende machtMacht om wetten uit te voeren, eigenlijk de macht om te regeren. Universele rechten Zie natuurrecht en universele verklaring van Europese conventie tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Universele verklaring van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden mensen zijn verwoord.
- V -VeiligheidsraadBestuur van de VN, bestaande uit vijf permanente leden (landen met een vetorecht) en tien tijdelijke. Verenigde Naties (VN) Internationale organisatie, in 1945 opgericht, met als doel vrede en veiligheid in de wereld te handhaven. Verlichting (18e eeuw) Beweging die vrijheid en gezond verstand wilde gebruiken om vooroordelen aan te pakken en het bestaan te verhelderen. Vertrouwenskwestie Een minister kan door zijn beleid het vertrouwen van het parlement verliezen en gedwongen worden af te treden. Verzorgingsstaat Een land met een goed stelsel van sociale voorzieningen, een vangnet tegen honger en gebrek. Vetorecht Het recht om te verbieden. Dat heeft ieder permanent lid van de veiligheidsraad. Volkenbond Intenationale organisatie, in 1919 opgericht, om via onderhandelingen oorlogsdreiging tussen landen weg te nemen. Volkenrecht Internationale rechtsregels die gelden voor het samenleven van zelfstandige staten. Volkenrechtelijke Organisaties Organisaties zoals de VN en de EU. Volkspartij voor vrijheid en docratie (VVD) Liberale politieke partij, opgericht in 1948, heeft een behoudend karakter. Volksregering Regeringsvorm waarbij het hele volk bij beslissingen betrokken is. Volksvertegenwoordiging Door het volk zelf gekozen afgevaardigden, die meebeslissen in het bestuur; ook: parlement. Volksverzekeringen Verzekeringen waar alle Nederlanders aanspraak op kunnen maken, bijvoorbeeld AOW en Kinderbijslag. Vrije Vrouwen Vereeniging In 1889 opgerichte vereniging die zich tegen politieke en maatschappelijke achterstelling van vrouwen keerde. Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) Parij van vooruitstrevende liberalen die in 1901 uit de Liberale Unie gestapt waren.
- W -WaterschapInstelling die bevoegd is regels te maken over de waterhuishouding in en rond de polders. Wereldfederatie Vreedzame samenwerking van alle staten in de wereld. Werknemersverzekeringen Verzekeringen waardoor werknemers van bedrijven in geval van ziekte of werkloosheid toch inkomen hebben. Wetgevende macht Macht om wetten te maken. Deze zou bij de volksvertegenwoordiging moeten liggen. Wethouders Samen met de burgemeester het dagelijks bestuur van een gemeente; gekozen uit en door de gemeenteraad. Wetten De regels die door de overheid zijn ingesteld om voor een ordelijke samenleving te zorgen. - X -Terug naar de Index- Y -Terug naar de Index- Z -Terug naar de Index
Niets uit deze site mag worden overgenomen zonder toestemming. Best te bekijken met MIE 4.0, 800x600 pixels. |