|
Community Geschiedenis Histoforum |
||||
| Canon | ||||
|
|
Nederlandse geschiedeniscanon:
een discussie zonder eind?! Door: Drs. H. K. J. (Huub) Kurstjens,
toetsdeskundige Geschiedenis en staatsinrichting, verbonden aan Cito
(Instituut voor Toetsontwikkeling) te Arnhem (Nederland)[1] Dit artikel is geschreven voor een Italiaans tijdschrift De beroemde Nederlandse historicus Pieter Geyl
(1887-1966) beweerde eens dat geschiedenis ‘een discussie zonder eind’
was. Datzelfde kan beweerd worden van het hervormingsproces in het
Nederlandse geschiedenisonderwijs. Jarenlang was een universitaire
opleiding een garantie voor de deskundigheid van geschiedenisdocenten en
dus een garantie voor het niveau van het geschiedenisonderwijs. Over de
inhoud van het geschiedenisonderwijs bestond een halve eeuw geleden niet
of nauwelijks verschil van mening. Onder vakhistorici was sprake van een
‘impliciete canon’: er was een grote mate van overeenstemming over de
inhoud van het geschiedenisonderwijs, al kon die wel eens verschillen
per zuil.[2]
Welke ontwikkelingen in de samenleving en het geschiedenisonderwijs
hebben ertoe geleid dat er een ‘expliciete canon’ moest komen? De
vergruizing van het geschiedenisonderwijs In het huidige Nederlandse geschiedenisonderwijs is
het beeld van ‘de’ geschiedenis ‘vergruisd’: de samenhang tussen de
feiten is er niet meer, de grote lijnen zijn uit het zicht verdwenen.
Dit is het gevolg van snelle maatschappelijke veranderingen, een
ingrijpend globaliseringsproces, gewijzigde geschiedopvattingen en de
invloed van verschillende emancipatiebewegingen. De
politiek-institutionele geschiedenis van de afgelopen decennia, op
chronologische wijze aangeboden, vanuit een traditionele
Europacentrische invalshoek, masculien en chauvinistisch van aard,
voldeed niet meer. Er moest meer ruimte komen voor onder andere
sociaaleconomische geschiedenis en voor mentaliteitsgeschiedenis. In
snel tempo wisselden curricula elkaar af, terwijl de examenonderwerpen
steeds exotischer werden. Daarnaast werd het geschiedenisonderwijs
steeds meer gebruikt voor en door belangengroepen en bepaald door de
actualiteit. Zo werd er o.a. meer aandacht gevraagd voor
vrouwengeschiedenis, milieugeschiedenis, de geschiedenis van de Derde
Wereld en de geschiedenis van de Europese eenwording (niet al te
succesvol blijkens de recente Nederlandse afwijzing van de Europese
Grondwet). De thematische verdieping schoot zover door dat leerlingen
veel wisten over een onderwerp als hekserij vanaf de Middeleeuwen in
Europa, maar weinig van algemene ontwikkelingen, achtergronden en
gebeurtenissen in de periode waarin dat onderwerp speelde. Pijnlijk werd
duidelijk dat het hierdoor bij leerlingen aan het einde van hun
middelbare schoolloopbaan ging ontbreken aan tijdsbesef en het vermogen
gebeurtenissen en ontwikkelingen in hun historische context te plaatsen.
De leerlingen wisten niet meer Karel de Grote en Karel V van elkaar te
onderscheiden, waar deze personen voor stonden, tegen welke achtergrond
ze leefden, laat staan wanneer ze precies geleefd hadden en wie van hen
eerder of later leefde. Tegelijkertijd met de invoering van het thematisch
geschiedenisonderwijs werd ook meer aandacht gevraagd voor het aanleren
van historische vaardigheden. Kennis alléén was niet genoeg; het moest
een bepaald doel dienen. Historische kennis moest in combinatie met
historische vaardigheden maatschappelijk relevant en betekenisvol zijn
en bij voorkeur ook toepasbaar bij andere vakken. Daar kwam bij dat in
ons geseculariseerde, geïndividualiseerde en ontzuilde land met zijn
heterogene bevolkingssamenstelling het zicht op een gemeenschappelijke
identiteit steeds meer verloren dreigde te gaan. Een gemeenschappelijk
historisch kader zou wellicht een bijdrage kunnen leveren aan de
oplossing van de identiteitscrisis waaronder het land gebukt ging. Er
moest met andere woorden weer historische overzichtskennis onderwezen
worden. De tien
tijdvakken van de Commissie De Rooy Een commissie onder leiding van de Amsterdamse hoogleraar Piet de Rooy bracht in 2001 een advies uit aan het Ministerie van Onderwijs, waarin o.a. gepleit werd voor het opdelen van de geschiedenis in tien overzichtelijke tijdvakken met afgeronde jaartallen als begrenzingen. De nadruk kwam daarbij te liggen op de chronologische hoofdlijnen van de West-Europese geschiedenis, met de nadruk op Nederland. De keuze voor tien tijdvakken was bedoeld als een didactisch hulpmiddel, dat de leerlingen in staat zou stellen gemakkelijker greep te krijgen op het verleden. Elk tijdvak is herkenbaar aan een eigen karakteristiek icoon (zie afbeelding 1) en gevuld met eigen ‘kenmerkende aspecten’. (afbeelding 1) De leerlingen maken er voor het eerst kennis mee in
het basisonderwijs (leerlingen tot 12 jaar), waarna deze tijdvakken
opnieuw aan de orde komen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs
(12-14 jaar) en ten slotte een derde maal in de bovenbouw van het
voortgezet onderwijs (14-17/18 jaar). Het achterliggende idee is dat een
herhaling van de beschrijving van een periode in combinatie met een
icoon ervoor zal zorgen dat de leerstof beter beklijft. Historisch besef
zal zich beter manifesteren in het tegelijkertijd hanteren van
benaderingswijzen, vaardigheden én een kader van oriëntatiekennis in
onderlinge samenhang. Door voort te bouwen op wat in een voorgaande fase
geleerd is, zal het, aldus de commissie, voor leerlingen makkelijker
worden greep te krijgen op de vaak moeilijke en taaie stof. Het is
echter uitdrukkelijk niet de bedoeling jaartallen en namen van personen
als losstaande feiten uit het hoofd te leren. Dat wordt niet zinvol
geacht. Dergelijke zaken krijgen alleen een betekenis als ze een
bijdrage kunnen leveren om algemene kenmerkende aspecten van een bepaald
tijdvak, als oriëntatie, te verduidelijken. De commissie heeft derhalve geen lijst van
gebeurtenissen, personen, etc. opgenomen. Iedere keuze zou bovendien,
aldus de commissie, vrij willekeurig en arbitrair zijn. Wel moeten de
algemene karakteristieken van een periode op beeldende wijze worden
gepresenteerd, maar zonder
daar concrete voorbeelden bij te noemen. Zo kan de ene leerling kennis
van de Reformatie onthouden aan de hand van Luther of Calvijn, de ander
aan de hand van Zwingli, Erasmus of een andere hervormer. De voorbeelden
vormen slechts een ‘kapstok’ om iets in algemene zin van een periode te
leren, niet meer maar ook niet minder. Inmiddels is deze benadering door
het parlement en het Ministerie van Onderwijs geaccepteerd en omgezet in
wetgeving voor het basisonderwijs en de onderbouw van het voortgezet
onderwijs. In de bovenbouw moet deze benadering binnen enkele jaren
leiden tot vernieuwde centrale examens. Kritiek op
de tijdvakken Het advies van de commissie De Rooy kreeg de nodige
kritiek. De indeling in tien tijdvakken mocht didactisch dan wel handig
zijn, wetenschappelijk gesproken stuitte ze op veel bezwaar. Veel
historici vonden het volstrekt arbitrair en zelfs onaanvaardbaar. Over
dit bezwaar kon met het oog op de leerbaarheid van de lesstof door de
leerlingen nog heengestapt worden, immers andere tijdindelingen bleven
bestaan naast deze indeling. Anders lag het met de kenmerkende aspecten.
Waren deze werkelijk kenmerkend voor de genoemde periode en waren ze wel
consistent en van dezelfde orde? Zou het op basis van deze indeling
mogelijk zijn longitudinale ontwikkelingen aan de orde te stellen? En
was het werkelijk zo dat het niet uitmaakte welk concreet voorbeeld
genomen werd om een tijdvak te typeren? Lag het bij de tijd van
ontdekkers en hervormers (1500-1600) niet meer voor de hand om Columbus
en Luther als voorbeeld te nemen in plaats van Olivier van Noort of
Johannes Hus? En leidde de nadruk op West-Europese geschiedenis niet
snel tot eurocentrisme, met het gevaar van stereotypering in de vorm van
‘blanke mannen geschiedenis’ die ook nog eens de nationale identiteit
diende te versterken? Hoe konden bijvoorbeeld Turkse en Marokkaanse
kinderen zich identificeren met een geschiedenis en een wereldbeeld dat
zo ver van hen afstond en niet de hunne was? De canon
van de Commissie Van Oostrom Vooral het ontbreken van een concreet kenniskader
dat ingezet zou kunnen worden als een sociaal bindmiddel van de
samenleving was terug te vinden in een advies van de Onderwijsraad, het
belangrijkste adviesorgaan van het Ministerie van Onderwijs, uit januari
2005. Daarin werd gesteld dat er te weinig aandacht was voor een ‘canon’
als uiting van de Nederlandse identiteit. Het gaat hierbij volgens de
Onderwijsraad ‘om die waardevolle
onderdelen van onze cultuur en geschiedenis die we nieuwe generaties via
het onderwijs willen meegeven. De canon is van belang voor de gehele
samenleving, dus niet alleen voor een elitaire groep.’[3]
Zo’n canon zou de socialisatietaak van het onderwijs kunnen versterken,
zeker gelet op de integratieproblematiek. Met zoveel kinderen van
buitenlandse herkomst, aldus de adviesraad, kon je er maar beter voor
zorgen dat de kennis van de Nederlandse geschiedenis en cultuur goed
werd onderwezen. Dit advies kon natuurlijk niet los gezien worden van de
maatschappelijke onrust die het gevolg was van de moord op twee
vooraanstaande Nederlanders, de politicus Pim Fortuyn (mei 2002) en de
filmregisseur Theo van Gogh (november 2004). Nederland dreigde in hoog
tempo te polariseren: de maatschappelijke spanningen waren om te
snijden. De toenmalige minister van Onderwijs was ervan
overtuigd dat ‘als jongeren in
Nederland de kennis van tenminste de kern van de canon delen, dit
burgerschapsvorming en integratie ten goede zal komen’[4].
De minister besloot, met brede politieke en maatschappelijke instemming,
tot het instellen van een commissie die de inhoud van de Nederlandse
canon ging onderzoeken en die een visie moest ontwikkelen hoe deze in
het onderwijs zou kunnen worden geïmplementeerd. Ten grondslag lag
tevens de overtuiging dat er iets mis was met de kennis van de
Nederlandse geschiedenis en cultuur bij de hedendaagse jeugd. Niet
alleen was het niveau van de feitenkennis sterk gedaald, het ontbrak ook
vaak aan kennis van de chronologie. Hieraan waren vele factoren debet:
enerzijds allerlei ontwikkelingen binnen het vakgebied zelf, anderzijds
het tekort aan goede, gekwalificeerde leerkrachten, die bovendien nog
eens te maken kregen met steeds beperktere mogelijkheden om hun vak uit
te oefenen zoals zij dat graag wilden. De commissie Van Oostrom - zo genoemd naar haar
voorzitter, Prof. Dr. Frits van Oostrom, universiteitshoogleraar (university
professor) aan de Universiteit van Utrecht – werkte van juni 2005
tot september 2006 aan het opstellen van haar rapport en het uitwerken
van de ‘Nederlandse canon’. Bij de presentatie van het eindrapport werd
onmiddellijk aangegeven dat het niet ging om een versmelting van de
canon met de Nederlandse identiteit. ‘De
canon kan wellicht het collectief geheugen van een land weerspiegelen,
maar nooit de identiteit ervan. (…) In de internationale, multiculturele
wereld van vandaag is het begrip ‘nationale identiteit’ een bedrieglijk,
ja gevaarlijk begrip. (…) Waar het om gaat, is dat dit de canon is van
het land dat wij gezamenlijk bewonen. In die zin kan de canon zeker
bijdragen tot burgerschap. Kennis en begrip van hoe dit land zich heeft
ontwikkeld, wat het aan waardevols heeft voortgebracht, en waar het in
de wereld tot nu toe wel en niet voor heeft gestaan is een zinvol en
verrijkend leerdoel, en verschaft de samenleving een referentiekader dat
rendeert bij onderling verkeer en bij het als Nederlander opereren in de
wereld. De canon dus van Boulahrouz en Beatrix.[5]
(…) Ons gaat het vooral om de waarde van de canon in zichzelf, niet als
de vermeende oplossing van een speciaal probleem, maar als de
goudgerande basiskennis omtrent de cultuurgeschiedenis van Nederland die
voor het verdere leven dusdanig zinvol en welkom is dat het aanbrengen
ervan op school in feite geen bijzondere rechtvaardiging behoeft.’[6]
Hier is een belangrijk verschil tussen de beide commissies te
onderscheiden: staat bij de Commissie De Rooy vooral het historisch
besef centraal, bij de
Commissie Van Oostrom canonieke
kennis. Vorm, basis
en inhoud van de canon vorm De canon is op een wandkaart gevisualiseerd, zowel
in de vorm van een poster als op de website van de canon.[7]
De canon wordt gepresenteerd als een reeks van 50 ‘vensters’,
chronologisch geordend op een tijdlijn (zie afbeelding 2).
(afbeelding 2) De functie van de kaart is vooral didactisch: het
inprenten van canonieke beelden (en hun volgorde in de tijd) bij de
kinderen, en het prikkelen van hun nieuwsgierigheid en hun
verbeeldingskracht. Het is de bedoeling dat de canonkaart steeds
zichtbaar in de klas hangt en dient als referentiepunt bij lessen die
betrekking hebben op de canon. De vormgeving van de canon bestaat uit
verschillende lagen: eerst wordt telkens één van de 50 vensters
gepresenteerd met een bijbehorend kort
Verhaal dat duidelijk maakt
welke betekenis kan worden toegekend aan het desbetreffende onderdeel
van de canon. Vervolgens worden de uitbreidingsmogelijkheden voor het
onderwijs genoemd, de zogenaamde
Vertakkingen (dit zijn suggesties voor thema’s die in het voortgezet
onderwijs kunnen worden gekozen om de blik vanuit het venster te
verbreden of te verdiepen). Bij deze vertakkingen zijn nog twee
subcategorieën aangebracht: Heden
en verleden en In de
schatkist. De eerste bevat suggesties voor vergelijkingen tussen
verleden en heden, de tweede voor wat er in de schatkist (een kist met
educatieve voorwerpen) gelegd zou kunnen worden om het verleden
‘tastbaar’ te maken. Tenslotte zijn er
Verwijzingen. Daar is
verdere informatie bijeengebracht rondom het onderwerp (waaronder
suggesties voor excursies, verwijzingen naar relevante literatuur en
websites). basis De commissie heeft gekozen voor een
vakgeïntegreerde canon. Dat houdt in dat het mogelijk is verbanden aan
te brengen tussen vakken als Nederlands, aardrijkskunde, geschiedenis en
de culturele vakken. De canon zou twee keer in het onderwijs aan bod
moeten komen: één keer in de bovenbouw van het basisonderwijs (leeftijd
8-12 jaar) en één keer in de onderbouw van het voortgezet onderwijs
(leeftijd 12-14/15 jaar). De kracht van herkenning en herhaling zou,
naarmate de leerlingen ouder worden, gepaard moeten gaan met een
verdieping en een verrijking van de 50 vensters. Voor het basisonderwijs
betekent dat: concreet en verhalend met iconen die houvast geven in de
tijd, duidelijke tijdbakens (maar geen jaartallen stampen!), zo beeldend
en tastbaar mogelijk (denk aan de technische mogelijkheden die onze tijd
biedt), aansprekend en uitnodigend (een ‘levende’ canon) en dicht bij
huis (met verhalen over Nederland maar ook met mogelijkheden om aan te
sluiten bij een lokale canon). Voor het voortgezet onderwijs kan gedacht
worden aan een vergroting, verbreding en verdieping van de stof, het
aanbrengen van meer samenhang, meer aandacht voor abstracta en
processen, voor politieke en economische geschiedenis, voor de
buitenlandse culturele canon, voor kunst voor de ‘rijpere jeugd’ en voor
figuren en groepen. inhoud De onderwerpen die in de canon aan bod komen, zijn
streng geselecteerde onderwerpen uit de Nederlandse
(cultuur)geschiedenis. Juist door deze selectie kan de stof tot zijn
recht komen en wordt wildgroei voorkomen. De belangrijkste uitdaging is
niet zozeer óf de onderwerpen
worden behandeld (in de meeste schoolboeken komen ze al voor), maar
hoe ze worden behandeld. Ze
moeten een kapstok vormen met voldoende haken om er een leven lang leren
en beleven aan op te hangen. Met deze benadering komt het thematische
onderwijs weer terug, alleen staan de thema’s nu in een nationaal kader. Kritiek op
de canon en weerwoord Nog maar nauwelijks had de commissie Van Oostrom
haar voorstel gepresenteerd of ook de canon kreeg, naast bijval, veel
kritiek, met name uit academische en didactische hoek. Kort samengevat
waren de kritiekpunten: . De canon wordt gebruikt als sociaal bindmiddel.
Na de maatschappelijke polarisatie van de afgelopen jaren, wordt de
canon ingezet als bindmiddel van de samenleving. . De interpretatie van het verleden wordt verengd
tot één perspectief. Dat leidt niet tot een levende, maar tot een
versteende geschiedenis. . Het verhaal achter de 50 vensters is gebaseerd op
een fictie; het is ‘invented tradition’ van 2000 jaar Nederlandse
geschiedenis. . De canon is van bovenaf opgelegd door de
overheid. Dat is een vorm van indoctrinatie en staatspedagogie. . Het is de canon van de ‘19e eeuwse
natiestaat van de liberale, academisch gevormde bourgeoisie met een
protestantse achtergrond: hollandocentrisch, burgerlijk, stedelijk,
esthetiserend en belerend’.[8] . De canon kent een (te) eng nationaal perspectief;
er is geen aandacht voor internationale ontwikkelingen. . Didactisch zit de canon niet goed in elkaar; hij
kent te veel verschillende en onevenwichtige benaderingen. . De canon ontbeert een rode draad. . De keuze van de 50 vensters is arbitrair en niet
evenwichtig uitgewerkt of verantwoord. Ter verdediging van de
canon werd aangevoerd: . Het voorstel heeft
ervoor gezorgd dat de discussie weer over de inhoud van de vakken gaat;
de verhouding tussen kennis en vaardigheden was te veel ten koste gegaan
van de (feiten)kennis. . Meer aandacht voor de inhoud
van een vak geeft het vak ook weer terug aan de leraar. . De canon versterkt de positie van de mens- en
maatschappijvakken op zowel het basisonderwijs als het voortgezet
onderwijs. Ongeveer 60% van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs
in Nederland zit in het voorbereidend beroepsonderwijs waar de mens- en
maatschappijvakken in het algemeen en het vak geschiedenis in het
bijzonder steeds meer onherkenbaar in leergebieden ondergebracht is, in
lesuren tot een minimum beperkt wordt of zelfs helemaal afgeschaft is. . Er is geen sprake van een dictaat maar van een
impuls die het veld moet motiveren (‘brugfunctie’). . De canon is niet statisch, want er vindt
regelmatig onderhoud plaats. . De opdracht om een
Nederlandse canon te maken is
afkomstig van de overheid, maar als logisch vervolg zal ook een
internationale canon ontwikkeld moeten worden. . De canon gaat niet uitsluitend over het vak
geschiedenis. Het gaat om het belang van de canon als een minimale
bagage dat elke burger beschikt aan inzicht in de geschiedenis, cultuur,
economie en geografie van Nederland, Europa en de wereld. . Het idee staat niet haaks op de vrijheid van de
scholen om het onderwijs zelf in te richten; men hoeft dus niet bevreesd
te zijn voor staatspedagogiek. . Ook migrantenkinderen zijn erbij gebaat: ‘wie
alle schepen achter zich heeft verbrand om in een ander land iets op te
bouwen, heeft baat bij een grondige kennis van dat gastland’[9]; . Onderwijs in de canon biedt een volk houvast; daar
hoeft men zich niet voor te schamen. De actuele
stand van zaken De publicatie van de 'Canon van Nederland' en de
reacties daarop hebben duidelijk gemaakt dat er meer aandacht moet komen
voor historische kennis in scholen en op lerarenopleidingen. Het
voorstel heeft veel aandacht gekregen in de nationale pers en is ondanks
de hierboven genoemde kritiek in brede lagen van de samenleving
enthousiast ontvangen. Dit enthousiasme is het gevolg van de volgende
factoren: . De herkenning van de teloorgang van het culturele
en historische erfgoed bij zowel leerlingen als leerkrachten; . De verhalende en beeldende insteek; . De vele praktische uitstapmogelijkheden. In het canonrapport wordt gepleit voor meer
kwaliteit in de lerarenopleidingen, voor leraren met meer kennis en meer
didactische bekwaamheden. De publicatie van de canon is een mogelijke
oplossing voor het probleem van de uitholling van vakkennis. De canon zorgt echter zelf ook weer voor een nieuw
probleem. In de curricula voor zowel het basisonderwijs als het
voortgezet onderwijs zijn niet zo lang geleden al de 'tien tijdvakken'
van de Commissie De Rooij voorgeschreven. Deze tien tijdvakken beogen,
net als de canon, een kern van historische kennis te definiëren. Bij de
tijdvakken wordt die gedefinieerd in zogenaamde 'kenmerkende aspecten'
van tijdvakken. Het gaat daarbij om 49 kenmerken als 'de industriële
revolutie' of 'het imperialisme' voor de 19e eeuw, of 'de crisisjaren'
en 'de Koude Oorlog' voor de twintigste eeuw. In de eindtermen[10]
wordt ervoor gekozen het te laten bij die algemene karakteristieken en
geen concrete feiten voor te schrijven. De keus voor die concrete feiten
kan volgens de commissie aan de scholen en leraren worden overgelaten.
Ze kunnen daarbij zowel voor Nederlandse als voor niet-Nederlandse
voorbeelden kiezen. Het schema van tien tijdvakken schrijft niet
precies voor welke feiten van de Nederlandse geschiedenis door
leerlingen gekend zouden moeten worden. De ‘Canon van Nederland’
schrijft echter wél concrete feiten voor. Die zouden kunnen dienen als
voorbeelden bij de algemene karakteristieken van de tijdvakken van de
Commissie De Rooij. Tot zover is er dus niets aan de hand, ware het niet
dat de 50 vensters van de canon niet overeenstemmen met de 49
kenmerkende aspecten van de tijdvakken van De Rooij. Bij sommige
aspecten zijn er meerdere voorbeelden, bij andere geen. Sommige
canonitems zijn helemaal niet onder te brengen bij de kenmerkende
aspecten. Volgens critici presenteert de canon zich als een
losse reeks items, met weinig of geen samenhang in de tijd. De
canonposter laat dat zien: een lange tijdlijn die heen en weer slingert,
zonder dat daarin perioden worden onderscheiden. Voor de ontwikkeling
van historisch en chronologisch besef, een centraal oogmerk van de tien
tijdvakken van De Rooij, is dat niet bevorderlijk. Op de canonposter
bestaat dan ook vanuit didactische kring scherpe kritiek (ook omdat de
tijd afwisselend van links naar rechts en van rechts naar links loopt). De presentatie van vijftig 'vensters' suggereert
niet alleen inhoud, maar ook een didactiek: neem deze vijftig items als
uitgangspunt, als ordeningsprincipe. De tijdvakken van De Rooij
suggereren echter: ga uit van de tijdvakken en hun kenmerken, en zoek er
voorbeelden bij - bijvoorbeeld uit de canon. In de praktijk van het
geschiedenisonderwijs dreigen hierdoor twee ordeningsprincipes en
didactische aanpakken door elkaar te gaan lopen. De onzekerheid
hieromtrent is thans merkbaar in scholen, bij opleidingen en educatieve
uitgevers. De canon als enige principe gebruiken, is geen oplossing,
aangezien die alleen over Nederland gaat. Het zou onverantwoord zijn op
het eindexamen in het voortgezet onderwijs alleen de Nederlandse
geschiedenis aan de orde te stellen. De tien tijdvakken bieden wél de
mogelijkheid om internationale geschiedenis aan de orde te stellen. Ten slotte Op dit moment wordt nagedacht over het ‘in elkaar
schuiven’ van de concrete voorbeelden van de canon met de tien
tijdvakken, in de hoop dat de twee benaderingen elkaar versterken en er
een synergetisch effect optreedt. Hierdoor zou een alomvattend
samenhangend nationaal geschiedenisonderwijsprogramma kunnen ontstaan.
Een andere mogelijkheid is om voor het basisonderwijs de concrete
voorbeelden van de canon als uitgangspunt te nemen en voor het
voortgezet onderwijs de abstractere kenmerkende aspecten van de tien
tijdvakken. Of het daadwerkelijk tot een dergelijk samensmelten of
afstemming van canon en tijdvakken komt, zal nog moeten blijken. Bij het
ter perse gaan van dit artikel was dit niet bekend. (21 mei 2007) Literatuur
en websites: - Verleden, heden en toekomst; advies van de
Commissie historische en maatschappelijke vorming (onder voorzitterschap
van Prof. Dr. P. de Rooy), Enschede 2001. - IVGD (Instituut voor Geschiedenisdidactiek);
(website Nederlandstalig:
http://www.ivgd.nl/indexnl.htm; Engelstalig:
http://www.ivgd.nl/indexen.htm).
Eveneens van het IVGD stammen enkele citaten aan het eind van dit
artikel uit een adviesbrief naar aanleiding van het verslag van de
canoncommissie van april 2007: ‘Canon en geschiedenisonderwijs - het
probleem en de oplossing'. - De stand van educatief Nederland; advies van de
Onderwijsraad (Den Haag 2005). - entoen.nu, de canon van Nederland; Rapport van de
commissie ontwikkeling Nederlandse canon (onder voorzitterschap van
Prof. Dr. F. P. van Oostrom), Den Haag 2006; (website: Nederlands:
http://www.entoen.nu/; Engels:
http://www.entoen.nu/default.aspx?lan=e). - M. Grever, E. Jonker, K. Ribbens en S. Stuurman;
Controverses rond de canon, Assen 2006. - Kleio, tijdschrift van de vereniging van docenten
in geschiedenis en staatsinrichting in Nederland (diverse nummers in de
periode 2001-2007); website, alleen Nederlandstalig:
http://www.vgnkleio.nl/ - Cito, Instituut voor Toetsontwikkeling, is een (inter)nationaal hoog aangeschreven onderneming met als kernactiviteit het valide en betrouwbaar meten en volgen van menselijke mogelijkheden en ontwikkelingen; (website: Nederlandstalig: http://www.citogroep.nl/index.htm; Engelstalig: http://www.citogroep.nl/com_index.htm)
[1]
Met dank aan
|
|||
Met onderstaande zoekmachine kunt u zowel zoeken op het www als binnen deze site en Histoforum
|
||||