stap 1   De hoofdvraag

De hoofdvraag van het onderzoek luidt: 

Wat zijn de voornaamste verschillen tussen de oude en de moderne olympische spelen?

stap 2   Uitwerken van de hoofdvraag of hypothese in deelvragen

De hoofdvraag valt uiteen in de volgende deelvragen:

  1. Welke sporten werden er vroeger beoefend en welke tegenwoordig?
  2. Welke prijzen werden er vroeger uitgekeerd en welke tegenwoordig?
  3. Wie mochten vroeger aan de spelen meedoen en wie tegenwoordig?
  4. Welke kleding droeg men vroeger en nu?
  5. Werden de spelen ten tijde van oorlog gehouden?
  6. Welke rituelen waren er vroeger en welke tegenwoordig?
  7. Waar werden de olympische spelen vroeger gehouden en waar tegenwoordig?
  8. Hoe werden winnaars vroeger onthaald en hoe tegenwoordig?
  9. Waren de deelnemers vroeger amateurs of beroeps en hoe zit dat tegenwoordig?

stap 3    kiezen van informatiebronnen

Op verschillende plaatsen kun je informatie vinden over zowel de oude als de moderne Olympische Spelen. In boeken en brochures, maar ook op Internet

stap 4    organiseren en plannen

Verdeel in je groepje de negen deelvragen. 

stap 5    het verzamelen van informatie

Ga nu op zoek naar informatie voor het beantwoorden van jouw deelvragen. Verzamel alles, geschreven informatie maar ook afbeeldingen, waarvan je denkt dat je het misschien kunt gebruiken.

stap 6    het selecteren en verwerken van informatie

Niet alles wat je hebt verzameld zal uiteindelijk bruikbaar zijn. Maak een keuze welke informatie je in het onderzoeksverslag wel of niet wilt opnemen. Verwerk de informatie tot een antwoord op jouw deelvragen. Hou rekening met de wijze van presenteren van je onderzoeksresultaten. 

stap 7     beantwoorden van de hoofvraag

Tot slot ga je alle antwoorden op de deelvragen verwerken tot een antwoord op de hoofdvraag.

stap 8    presentatie van de resultaten

Je kunt de resultaten van je onderzoek op verschillende manieren presenteren. Een schriftelijk verslag is natuurlijk mogelijk, maar je kunt de resultaten ook presenteren in een spreekbeurt, een poster, een muurkrant, een power-point presentatie of een website. De docent(e) zal je vertellen welke manier van presenteren je mag of moet gebruiken.

[naar boven]