DE ROMEINEN 
Rome - Italië
bestuur
Rome-Middellandse Zee
keizerrijk
de beschaving
<

Rome - Italië [[K]]
In midden Italië, in het heuvelachtige Latium, kwam het aan de Tiber gelegen Rome tot grote bloei. Volgens de overlevering hadden Romulus en Remus de stad in 754 v.chr. gesticht. Van uit het Noorden overheersten de Etruriërs geruime tijd Rome , maar de Romeinen verjoegen  in 510 v.chr. de laatste Etrurische koning. Rome werd een republiek.
In de nu volgende eeuwen veroverden de Romeinen heel Italië. De verslagen volken werden echter niet onderworpen maar kregen een bondgenootschap aangeboden. Zo  bleven zij Rome trouw ook toen later de Carthagers en de Galliërs  de stad bedreigden.
<<<

bestuur en standenstrijd  
De Volksvergadering waarin alle burgers stemrecht hadden maakte de wetten en benoemde de hoge ambtenaren (magistraten). De Senaat, waarin alleen oud-magistraten zaten, hield zich vooral bezig met buitenlandse zaken. Om te voorkomen dat ze teveel macht zouden krijgen benoemden de Romeinen hun magistraten maar voor één jaar. De laagsten  waren de aedielen.  Daarop volgden de  quaestoren  de praetoren  en  twee consuls . De censor, de hoogste ambtenaar, hield toezicht op het gedrag van de Romeinse burgers. In tijden van nood kon voor zes maanden een dictator worden benoemd. Hij had alle (absolute) macht.
Toen Rome groter werd ontstond er een tegenstelling binnen de welgestelde families. De patriciërs woonden veel langer in Rome dan de plebejers. De laatste bekleedden daardoor geen enkel ambt. In een felle standenstrijd  kregen de plebejers het recht volkstribunen te benoemen, die met hun vetorecht besluiten van de Senaat en Volksvergadering konden tegenhouden. In de derde eeuw v.chr. kwam de volledige gelijkstelling tussen beide standen.
<<<

Rome-Middellandse Zee [[K]] 
De Romeinen kwamen ca. 270 v.chr. op Sicilië in aanraking met de Carthagers. Carthago, een bloeiende handelsstad, beheerste het westelijk deel van de Middellandse Zee. Tussen de beide steden ontbrandde een machtsstrijd. De drie Punische Oorlogen (264-146 v.chr.) - waarin de Carthager Hannibal en de Romein Scipio zich onderscheidden - beslisten over het lot van de Noord Afrikaanse stad. In 146 v.chr. werd Carthago met de grond gelijk gemaakt. Rome beheerste nu het westelijk deel van de Middellandse Zee. Ongeveer in dezelfde tijd liepen de Romeinse legioenen Griekenland en Klein Azië onder de voet. Eind tweede eeuw v.chr. was het boerendorp Rome uitgegroeid tot een wereldstad, middelpunt van een groot rijk. Bestuur en organisatie werden daardoor ingewikkelder.
De gevolgen van de veroveringen waren verstrekkend. De dienstplichtige boeren hadden Rome's gebiedsuitbreiding mogelijk gemaakt. Zij moesten wel zelf hun wapenrusting betalen en waren vaak erg lang van huis. Velen verarmden, verkochten hun land en trokken naar de stad. Rijk geworden magistraten kochten dat land op en lieten het bewerken door krijgsgevangenen die als slaaf waren verkocht. Deze goedkope werkkrachten vergrootten de trek van de Romeinse landarbeiders naar de stad. Zo veroorzaakten de oorlogen een verarmde boerenstand, grootgrondbezit massale werkeloosheid en  slavernij . De werkloze massa, het proletariaat, werd een speelbal voor elke op macht beluste politicus.
<<<

klassenstrijd  
Het dienstplichtige boerenleger werd vervangen door een beroepsleger. Nu kregen succesvolle generaals de kans met een hen getrouw leger politieke macht te veroveren.Vaak stonden de Senaat (bezitters - Optimaten) en de Volksvergadering (bezitlozen - Populares) tegenover elkaar. Het optreden van de Gracchen verhevigde deze klassenstrijd. Beide partijen zochten en vonden  generaals die hun belangen wilden dienen. Zo werd de eerste eeuw v.chr.  de tijd van de burgeroorlogen. Marius, Sulla, Pompejus en Caesar betwistten elkaar de macht. De laatste werd zelfs door zijn rivalen vermoord. De republiek en haar instellingen verzwakten. Uiteindelijk zegevierde Caesars pleegzoon Octavianus. Hij noemde zich zelf nog geen keizer maar was het wel. Onder de naam Augustus opende hij de lange rij van Romeinse keizers (27 v.chr.- 476 ).
<<<
 

keizerrijk   [[K]]
De eerste twee eeuwen van onze jaartelling beleefde het Romeinse Imperium een enorme bloei. Het rijk strekte zich uit van Engeland tot  in Azië en Afrika (K). Meestal wisten de erf- en adoptiekeizers de Pax Romana  te bewaren. Handel en nijverheid verhoogden de welvaart.
De derde eeuw was de eeuw van de soldatenkeizers. Germanen en Perzen bedreigden de grensgebieden. Daardoor werd het leger nog belangrijker, dus ook de elkaar rivaliserende generaals. De stijgende defensie-uitgaven verhoogden de belastingdruk. Binnenlandse spanningen en buitenlandse dreiging verzwakten het rijk steeds verder. Deling van het rijk moest het bestuur vergemakkelijken. Het enorme gebied werd  gesplitst in een Oost- en een West Romeins Rijk (395), met als hoofdsteden Constantinopel en Rome [[K]]. Maar dit hield de neergang niet tegen.  Het leger verliet de grensprovincies van het West Romeinse Rijk.  Germanen stroomden het rijk binnen. De Goten stonden zelfs voor Rome en de Hunnen in Frankrijk. In 476 was het voorgoed gedaan met het Westromeinse Rijk toen de Germaan Odoacer zich koning van Italië noemde. Het Oost-Romeinse Rijk hield het echter nog bijna 1000 jaar uit totdat de Turken  (Byzantium) Constantinopel veroverden (1453).
<<<

de beschaving
De betrekkelijke rust en veiligheid maakten het mogelijk dat de Romeinse beschaving overal doordrong. Door hun veroveringen in het Oosten kwamen de Romeinen in aanraking met het Hellenisme. Griekse wetenschap en wijsbegeerte gingen samen met het praktisch en technisch vernuft van de Romeinen. Hun organisatievermogen, discipline, rechtsgevoel en verdraagzaamheid stelden de Romeinen in staat zoveel volken en stammen over zo'n lange periode te overheersen.
Niet alleen in Rome zelf maar ook in de provincies was het bestuur voortreffelijk georganiseerd. De goed getrainde en gedisciplineerde legioenen garandeerden, na hun enorme veroveringen, lange tijd vrede en veiligheid. De voor alle Romeinse burgers geldende wetten vergrootten de rechtszekerheid. Ook de niet-Romeinen en zelfs de slaven werden door wetten beschermd tegen te grote willekeur. Hierdoor ontwikkelde zich het Romeinse recht zodanig dat men het tot ver in de Middeleeuwen bleef toepassen.
De praktische instelling van de Romeinen blijkt vooral uit hun architectuur, weg- en waterbouw. De rondboog maakte tot dan onmogelijke constructies mogelijk. Zo verrezen overal in het rijk viaducten,aquaducten, amfitheaters, triomfbogen en tempels. Een uitstekend wegennet verbond de hoofdstad met de verste uithoeken van het rijk.
<<<
 
In de samenleving was de familieband van groot belang. Het hoofd van de familie oefende tot zijn dood zeggenschap uit over al zijn kinderen. De voorouderverering had een belangrijke plaats in de godsdienst, die verder veel goden kende en veel waarde hechtte aan natuurverschijnselen en diergedrag. In de keizertijd kreeg de keizer goddelijke eer. Hierdoor kwamen de christenen in conflict met de staat. Zij mochten immers geen afgoden dienen. Soms werden de zij dan ook heftig vervolgd totdat hun godsdienst in het begin van de vierde eeuw officieel werd erkend. In 380 werd het Christendom zelfs staatsgodsdienst.
Zoals overal in de Oudheid vormde de slavernij een wezenlijk onderdeel van de maatschappij. Het lot van de huisslaaf was aanzienlijk beter dan dat van de slaaf op de velden en in de mijnen. De grote slavenopstanden zeggen niet alleen iets over de hoeveelheid slaven maar ook over hun behandeling.
Voor een beschaafde Romein was het Grieks onmisbaar. Zijn  eigen taal , het Latijn,  werd buiten Italië door de machtigen en aanzienlijken gesproken. . Livius, Tacitus, Virgilius, Seneca  en vele anderen brachten  de  letterkunde op een hoog peil. Beeldhouwers en schilders (fresco's) vereeuwigden de roem en grootheid van hun opdrachtgevers.
<<<