Werkvertalingen bij oefenstukken bij CE Latijn 2000

 

Cicero, filosofisch werk

 

Harrie Habets, habets@worldonline.nl

WERKVERTALING CICERO DE NAT. DEORUM 3, 32-33

 

Et ut haec

omittamus, tamen animal nullum inveniri potest quod

neque natum umquam sit et semper sit futurum. omne

enim animal sensus habet; sentit igitur et calida et

frigida et dulcia et amara nec potest ullo sensu iu-

cunda accipere non accipere contraria; si igitur volup-

tatis sensum capit, doloris etiam capit; quod autem

dolorem accipit id accipiat etiam interitum necesse

est; omne igitur animal confitendum est esse mortale.

Praeterea, si quid est quod nec voluptatem sentiat nec

dolorem, id animal esse non potest; sin autem quod

animal est, id illa necesse est sentiat, et quod ea sentiat

non potest esse aeternum; et omne animal sentit; nul-

lum igitur animal aeternum est. Praeterea nullum po-

test esse animal in quo non et adpetitio sit et declinatio

naturalis. adpetuntur autem quae secundum naturam

sunt, declinantur contraria; et omne animal adpetit

quaedam et fugit a quibusdam, quod autem refugit

id contra naturam est, et quod est contra naturam id

habet vim interemendi. omne ergo animal intereat

necesse est. Innumerabilia sunt ex quibus effici cogi-

que possit nihil esse quod sensum habeat quin id

intereat; etenim ea ipsa quae sentiuntur, ut frigus ut

calor <ut> voluptas ut dolor ut cetera, cum amplificata

sunt interimunt; nec ullum animal est sine sensu;

nullum igitur animal aeternum est.

 

1 en om dit nu <verder> maar verder achterwege te laten, toch kan er geen enkele levend wezen gevonden worden (is te vinden) dat én niet ooit geboren is én altijd zal blijven bestaan; elk wezen heeft immers zintuigen; het voelt dus warme en koude en zoete en bittere dingen, en kan niet met enig zintuig wel prettige dingen ondervinden maar het tegenovergestelde niet ondervinden;

als het dus een gevoel van genot waarneemt, neemt het ook een gevoel van pijn waar;

5. echter, het moet wel dat wat pijn waarneemt ook de ondergang waarneemt; erkend moet dus worden dat ieder wezen sterfelijk is.

bovendien, als er iets is dat noch genot noch pijn voelt kan dit geen wezen zijn, maar als het een of ander wezen is moet het zijn dat het deze dingen voelt; en (iets) wat die dingen voelt kan niet eeuwig zijn; en ieder wezen voelt; geen wezen is dus onsterfelijk.

10. bovendien kan er geen wezen zijn waarin niet én een natuurlijk streven én een natuurlijke afkeer zit; nagestreefd worden echter dingen die conform de natuur zijn, het tegengestelde wordt vermeden; en ieder wezen streeft bepaalde dingen na en deinst voor sommige dingen terug; (lees hier een ;!) wat het echter vermijdt, dat is tegen de natuur, en wat tegennatuurlijk is heeft de kracht om te doden; daarom is het nodig dat ieder wezen omkomt.

15. ontelbaar zijn de dingen waaruit afgeleid en geconcludeerd kan worden dat er niets bestaat dat gevoel heeft of het komt om; immers, juist die dingen die gevoeld worden, zoals kou, warmte, genot, pijn, zoals andere dingen, gaan eraan (nemen ze weg?) als ze versterkt zijn; en er is niet ook maar één wezen zonder gevoel; ergo geen wezen is eeuwig.

 

WERKVERTALING CICERO DE DIVINATIONE 1, 53

 

Quid? singulari

vir ingenio Aristoteles et paene divino ipsene errat

an alios vult errare, cum scribit Eudemum Cyprium,

familiarem suum, iter in Macedoniam facientem Phe-

ras venisse, quae erat urbs in Thessalia tum admodum

nobilis, ab Alexandro autem tyranno crudeli dominatu

tenebatur; in eo igitur oppido ita graviter aegrum

Eudemum fuisse, ut omnes medici diffiderent; ei visum

in quiete egregia facie iuvenem dicere fore ut per-

brevi convalesceret, paucisque diebus interiturum Ale-

xandrum tyrannum, ipsum autem Eudemum quinquen-

nio post domum esse rediturum. Atque ita quidem

prima statim scribit Aristoteles consecuta, et conva-

luisse Eudemum, et ab uxoris fratribus interfectum

tyrannum; quinto autem anno exeunte, cum esset spes

ex illo somnio in Cyprum illum ex Sicilia esse redi-

turum, proeliantem eum ad Syracusas occidisse; ex

quo ita illud somnium esse interpretatum, ut, cum

animus Eudemi e corpore excesserit, tum domum re-

vertisse videatur.

 

1. en? vergist Aristoteles, een man met een uitzonderlijke en haast goddelijke inborst, zich, of wil hij dat anderen zich vergissen, als hij schrijft dat Eudemus van Cyprus, een kennis van hem, wanneer hij een reis maakt naar Macedonië, in Pherae is aangekomen, dat toentertijd een tamelijk vermaarde een stad was in Thessalië, maar die door tiran Alexander in een wrede greep werd gehouden?

5. (hij schrijft dat) Eudemus in die stad dus zo zwaar ziek geweest is dat alle medici aan de afloop twijfelden; hij zou gedroomd hebben (dit is A.c.I.) dat een jongeman met een uitzonderlijk uiterlijk zei dat het zou gebeuren dat hij binnenkort opknapte, en dat binnen een paar dagen A. de tiran zou sterven, maar dat Eudemus zelf vijf jaar later naar huis zou terugkeren.

9. welnu, Aristoteles schrijft dat de eerste dingen weliswaar op deze manier onmiddellijk zijn uitgekomen, <nl> dat én Eudemus beter is geworden, én dat de tiran door de broers van diens vrouw vermoord is; maar dat, toen het vijfde jaar ten einde liep, toen / waardoor er de hoop op grond van die droom was dat hij vanuit Sicilië (??) naar Cyprus zou terugkeren, hij al vechtend (in een gevecht) bij Syracusae omgekomen is; en dat op grond hiervan die droom zo uitgelegd is dat, toen de geest van Eudemus uit zijn lichaam is weggegaan, hij op dát moment naar huis is teruggekeerd.

 

 

 

WERKVERTALING CICERO DE OFFICIIS 3,1-3

 

P. Scipio dicere solitus est numquam se minus otiosum esse,

quam cum otiosus, nec minus solum, quam cum solus

esset. Magnifica vero vox et magno viro ac sapiente

digna; quae declarat illum et in otio de negotiis cogi-

tare et in solitudine secum loqui solitum, ut neque

cessaret umquam et interdum conloquio alterius non

egeret. Ita duae res, quae languorem adferunt ceteris,

illum acuebant, otium et solitudo. Vellem nobis hoc

idem vere dicere liceret, sed si minus imitatione tan-

tam ingenii praestantiam consequi possumus, volun-

tate certe proxime accedimus. Nam et a re publica

forensibusque negotiis armis impiis vique prohibiti

otium persequimur et ob eam causam urbe relicta

rura peragrantes saepe soli sumus. Sed nec hoc otium

cum Africani otio nec haec solitudo cum illa compa-

randa est. Ille enim requiescens a rei publicae pul-

cherrimis muneribus otium sibi sumebat aliquando et

coetu hominum frequentiaque interdum tamquam in

portum se in solitudinem recipiebat, nostrum autem

otium negotii inopia, non requiescendi studio consti-

tutum est. Extincto enim senatu deletisque iudiciis

quid est, quod dignum nobis aut in curia aut in foro

agere possimus? Ita qui in maxima celebritate atque

in oculis civium quondam vixerimus, nunc fugientes

conspectum sceleratorum, quibus omnia redundant,

abdimus nos quantum licet et saepe soli sumus.

 

1. P. Scipio had de gewoonte te zeggen dat hij nooit meer "vrij" was dan wanneer hij vrij was, en niet minder alleen dan wanneer hij alleen was. (dat ben ik met hem eens, vooral op vrijdagavond na een drukke week, leuk toch dat dit soort one-liners het na 2000 jaar in Asten ook nog doen)

Schitterend, werkelijk, die uitspraak, en bij een groots en wijs man passend, (zo’n uitspraak) die aangeeft dat hij zowel in zijn eigen tijd over zaken pleegt te denken en in zijn alleen zijn met zichzelf te praten, opdat hij noch ooit rustte en af en toe het gesprek met de ander niet miste. Zo scherpten deze twee zaken, die niksdoen brengen aan de anderen, hem, (nl) vrij zijn en alleen zijn.

7. Ik zou willen dat ik ditzelfde echt kon zeggen. Maar noch dit vrij zijn is te vergelijken met dat van Scipio, noch dit alleen zijn met dat. Hij immers, tot rust komend van de fraaiste verplichtingen van de staat, nam voor zichzelf soms vrij(e tijd), en vanuit/na een bijeenkomst van mensen en de drukte trok hij zich af en toe, als was het naar een haven, zich terug in eenzaamheid. (tja, en nu moet Cicero weer even zijn image oppoetsen:) Mijn vrije tijd echter is veroorzaakt door het gebrek aan activiteit, niet door de behoefte om tot rust te komen (acherm).

12. Nu de senaat uitgeschakeld is en de rechtspraak afgeschaft, wat is er nu nog dat, ons waardig, of in het senaatsgebouw of op het forum gedaan kan worden? En dus, wij die ooit leefden in de grootste bekendheid en in de ogen van de burgers, nu vluchtend voor de aanblik van de misdadigers van wie alles overstroomt, verbergen wij ons, zoveel als mogelijk is, en vaak zijn we alleen.

 

Cicero De officiis 1.33 – 34

 

Sunt quaedam officia etiam adversus eos

servanda, a quibus iniuriam acceperis. Est enim ulci-

scendi et puniendi modus; atque haud scio an satis sit

eum, qui lacessierit iniuriae suae paenitere, ut et ipse

ne quid tale posthac et ceteri sint ad iniuriam tar-

diores. Atque in re publica maxime conservanda sunt

iura belli. Nam cum sint duo genera decertandi, unum

per disceptationem, alterum per vim, cumque illud

proprium sit hominis, hoc beluarum, confugiendum

est ad posterius, si uti non licet superiore. Quare sus-

cipienda quidem bella sunt ob eam causam, ut sine

iniuria in pace vivatur, parta autem victoria conser-

vandi i, qui non crudeles in bello, non inmanes fue-

runt, ut maiores nostri Tusculanos, Aequos, Volscos,

Sabinos, Hernicos in civitatem etiam acceperunt, at

Karthaginem et Numantiam funditus sustulerunt.

 

Bepaalde gedragsregels moeten in acht genomen worden, zelfs tegenover mensen door wie jou onrecht is aangedaan. Er is immers een limiet aan wreken en straffen; sterker nog, misschien is het wel voldoende dat degene die onrechtmatig gehandeld heeft, spijt heeft van het onrecht, zodat enerzijds hij zelf later niet iets dergelijks doet en anderzijds anderen minder geneigd zijn tot onrecht. Op vergelijkbare wijze moeten in een staat oorlogsrechten zeer sterk in ere worden gehouden. Want , omdat er twee manieren zijn om een eind te maken aan een conflict, de ene door middel van overleg en de ander door middel van geweld, en omdat de eerstgenoemde eigen is aan de mans en de laatgenoemde aan de dieren, moet men zijn toevlucht nemen tot de laatstgenoemde als de eerstgenoemde niet mogelijk is. En daarom moeten weliswaar oorlogen worden aangegaan vanwege die reden dat er zonder onrecht in vrede geleefd wordt; maar wanneer de overwinning is behaald, moeten diegenen gespaard worden die in de oorlog niet wreed , niet onmatig zijn geweest, zoals onze voorouders zelfs de Tusculani, de Aequi, de Volsci, de Sabijnen en de Hernici het burgerrecht hebben verleend, maar Carthago en Numantia met de grond gelijk hebben gemaakt.

 

Cicero Cato maior de senectute 66-68

 

Quarta restat causa quae maxime angere atque solli-

citam habere nostram aetatem videtur, adpropinquatio

mortis, quae certe a senectute non potest esse longe.

o miserum senem qui mortem contemnendam esse in

tam longa aetate non viderit! quae aut plane negle-

genda est, si omnino extinguit animum, aut etiam op-

tanda, si aliquo eum deducit ubi sit futurus aeternus;

atqui tertium certe nihil inveniri potest; quid igitur

timeam, si aut non miser post mortem aut beatus etiam

futurus sum? quamquam quis est tam stultus quamvis

sit adulescens, cui sit exploratum se ad vesperum esse

victurum? quin etiam aetas illa multo plures quam

nostra casus mortis habet; facilius in morbos incidunt

adulescentes, gravius aegrotant, tristius curantur. ita-

que pauci veniunt ad senectutem; quod ni ita accideret,

melius et prudentius viveretur. mens enim et ratio et

consilium in senibus est; qui si nulli fuissent, nullae

omnino civitates fuissent. sed redeo ad mortem inpen-

dentem. quod est istius crimen senectutis, cum id ei

videatis cum adulescentia esse commune? sensi ego

in optimo filio, tu in expectatis ad amplissimam digni-

tatem fratribus Scipio, mortem omni aetati esse com-

munem. at sperat adulescens diu esse se victurum, quod

sperare idem senex non potest. insipienter sperat. quid

enim stultius quam incerta pro certis habere, falsa pro

veris? at senex ne quod speret quidem habet. at est

eo meliore condicione quam adulescens, cum id quod

ille sperat, hic consecutus est; ille vult diu vivere, hic

diu vixit.

 

Blijft er nog over een vierde zaak, die mensen van onze leeftijd zeer sterk lijkt te beangstigen en bezorgd te maken, nl. de nadering van de dood, die zeker niet ver weg kan zijn van de ouderdom.

O arme oude man , die niet heeft gezien dat op zo’n lange tijd van leven de dood geringschat moet worden!

En deze moet ofwel helemaal veronachtzaamd worden, als hij de geest uitblust, of zelfs gewenst worden als hij hem naar enige plaats leidt waar hij eeuwig zal zijn.

Een derde mogelijkheid kan er zeker niet gevonden worden. Dus, wat moet ik vrezen, als ik na de dood ofwel niet ongelukkig zal zijn ofwel zelfs gelukkig zal zijn? Trouwens, wie is er zo dwaas dat hij hoewel hij nog jong is, zeker denkt te weten dat hij zal leven tot de avond?

Sterker nog, die leeftijd heeft veel meer doodsoorzaken dan de onze: jonge mensen worden makkelijker ziek, ze zijn erger ziek, ze komen er moeilijker bovenop; en dus komen maar weinigen tot ouderdom. Waarom richt men dat verwijt nu juist tot de ouderdom, hoewel jullie zien dat zij dit gemeen heeft met de jeugd? Ik heb dat gemerkt bij mijn zoon, Scipio en jij bij jouw broers, dat de dood gewoon is voor elke leeftijd.

Iemand zal zeggen: " een jonge man hoopt dat hij lang zal leven, omdat een oude man (dat) niet kan hopen." Hij koestert hoop op onverstandige wijze. Immers wat is er dwazer dan het onzekere als zeker te beschouwen en het onechte als het echte? " Maar een oude man heeft zelfs geen reden om te hopen." Maar hij is in zoverre in betere omstandigheden dan de jonge man, dat hij al heeft bereikt wat de ander nog hoopt: de een wil lang leven en de ander heeft al lang geleefd.

 

Cicero, Laelius de amicitia 82-83

 

Sed plerique perverse, ne dicam inpudenter, habere

talem amicum volunt, quales ipsi esse non possunt,

quaeque ipsi non tribuunt amicis, haec ab iis deside-

rant. Par est autem primum ipsum esse virum bonum,

tum alterum similem sui quaerere. In talibus ea, quam

iam dudum tractamus, stabilitas amicitiae confirmari

potest, cum homines benivolentia coniuncti primum

cupiditatibus iis, quibus ceteri serviunt, imperabunt,

deinde aequitate iustitiaque gaudebunt, omniaque alter

pro altero suscipiet, neque quicquam umquam nisi ho-

nestum et rectum alter ab altero postulabit, neque

solum colent inter se ac diligent, sed etiam verebuntur.

Nam maxumum ornamentum amicitiae tollit, qui ex

ea tollit verecundiam. Itaque in iis perniciosus est

error, qui existumant lubidinum peccatorumque om-

nium patere in amicitia licentiam; virtutum amicitia

adiutrix a natura data est, non vitiorum comes, ut,

quoniam solitaria non posset virtus ad ea, quae summa

sunt, pervenire, coniuncta et consociata cum altera

perveniret.

 

Maar de meeste mensen willen op een verkeerde manier, om niet te zeggen op een schaamteloze manier, net zo’n vriend hebben als zij zelf niet kunnen zijn en verlangen deze dingen die ze zelf niet aan vrienden geven.

Het is echter billijk dat een man eerst zelf goed is en dan pas een ander zoekt, gelijk aan hemzelf. In dergelijke gevallen kan die bestendigheid van vriendschap worden bekrachtigd waar wij het de hele tijd al over hebben, wanneer mensen, verbonden door welwillendheid, eerst die verlangens zullen beheersen, waar anderen slaaf van zijn en vervolgens enthousiast zullen zijn over de gelijkheid en de rechtvaardigheid, en de een alles voor de ander op zich zal nemen en de een niets van de ander zal eisen tenzij iets wat eervol is en juist en zij niet alleen elkaar zullen hoogachten en liefhebben, maar ook respect zullen hebben voor elkaar. Want hij haalt het grootste sieraad van vriendschap weg, die daaruit het respect wegneemt. En dus is er sprake van een gevaarlijke misvatting bij hen die denken dat vrijheid van alle wellusten en zondes vrijstaat in vriendschap. Vriendschap werd door de natuur gegeven als begeleidster van deugden, niet als metgezellin van ondeugden, opdat, aangezien de deugd niet in haar eentje datgene wat het hoogste is, kon bereiken, zij dit, in combinatie en verbonden met een andere deugd, zou bereiken.

 

WERKVERTALING CICERO CE 2000

DE NATURA DEORUM II, 150 (tot haberemus)

 

Quam vero aptas quamque multarum artium minis-

tras manus natura homini dedit. Digitorum enim con-

tractio facilis facilisque porrectio propter molles com-

missuras et artus nullo in motu laborat. itaque ad pin-

gendum fingendum, ad scalpendum, ad nervorum eli-

ciendos sonos ad tibiarum apta manus est admotione

digitorum. Atque haec oblectationis, illa necessitatis,

cultus dico agrorum extructionesque tectorum, tegu-

menta corporum vel texta vel suta omnemque fabri-

cam aeris et ferri; ex quo intellegitur ad inventa animo

percepta sensibus adhibitis opificum manibus omnia

nos consecutos, ut tecti ut vestiti ut salvi esse posse-

mus, urbes muros domicilia delubra haberemus.

 

1. wat voor geschikte en voor wat voor voor vele technieken dienende handen heeft de natuur aan de mens gegeven! immers, het makkelijke buigen van de vingers en het gemakkelijke strekken, (makkelijk) vanwege de zachte verbindingen en kootjes, doet bij geen enkele beweging pijn. daarom is voor het schilderen, voor het kneden/vormen, voor het beitelen, voor het ontlokken van geluiden van/aan snaren en fluiten de hand geschikt door de beweging van de vingers.

6. en deze dingen dienen tot vermaak, maar de volgende tot noodzaak: ik bedoel de verzorging van akkers, het bouwen van huizen, de bedekkingen van lichamen, hetzij geweven hetzij genaaid, en iedere bewerking van brons en ijzer; daaruit (schijnrelativum) wordt begrepen / kan je opmaken dat, wanneer bij de ontdekkingen van de geest, (en) de waarnemingen van de zintuigen de handen van kunstenaars / technici gebruikt zijn, wij alles bereikt / klaargespeeld hebben, zodat we bedakt, gekleed, behouden kunnen zijn, [en zodat we] steden, muren, woonplaatsen, (en) tempels hebben. (er staat in het LA in deze bijzin verleden tijd omdat in de hoofdzin een perfectum staat: het Latijn vindt namelijk in zo’n geval dat de bijzin óók in een verleden tijd hoort te staan; wij doen niet zo moeilijk).

HaHa 12 maart 2000

 

WERKVERTALING CICERO DE OFFICIIS II, 11-12

 

Quae ergo ad vitam hominum tuendam perti-

nent, partim sunt inanima, ut aurum, argentum, ut

ea, quae gignuntur e terra, ut alia generis eiusdem,

partim animalia, quae habent suos impetus et rerum

appetitus. Eorum autem rationis expertia sunt, alia

ratione utentia. Expertes rationis equi, boves, reli-

quae pecudes, apes, quarum opere efficitur aliquid ad

usum hominum atque vitam. Ratione autem utentium

duo genera ponunt, deorum unum, alterum hominum.

Deos placatos pietas efficiet et sanctitas; proxime au-

tem et secundum deos homines hominibus maxime

utiles esse possunt. Ea enim ipsa, quae inanima

diximus, pleraque sunt hominum operis effecta, quae

nec haberemus, nisi manus et ars accessisset, nec iis

sine hominum administratione uteremur. Neque enim

valitudinis curatio neque navigatio, neque agricultura

neque frugum fructuumque reliquorum perceptio et

conservatio sine hominum opera ulla esse potuisset.

 

1. de dingen die dus ertoe bijdragen om het leven van mensen in stand te houden zijn voor een deel onbezielde dingen, zoals goud, zilver, zoals die dingen die uit de aarde worden voortgebracht / voortkomen, zoals andere dingen van dezelfde aard (andere gelijksoortige dingen), [en] voor een ander deel bezielde dingen / wezens, die hun eigen instincten hebben en verlangens naar dingen.

4. van deze [bezielde dingen / wezens] echter / verder zijn sommige irrationeel, andere met rede begiftigd; irrationeel [zijn] paarden, koeien, ander vee / andere beesten door wier inspanning / werk een bijdrage geleverd wordt tot het nut en het leven van mensen; van de met rede begiftigde [bezielde wezens] onderscheidt men twee soorten / groepen, een van de goden, de andere van de mensen.

8. vroomheid en deugdzaamheid stemt de goden gunstig, [en / maar] direct na de goden kunnen mensen voor mensen uiterst nuttig zijn. juist die dingen namelijk die we onbezield hebben genoemd zijn in groten getale door inspanningen van mensen tot stand gebracht; en die zouden we niet hebben als er niet inspanning(en) en techniek aan te pas gekomen was / waren, en zonder menselijke hulp zouden we ze niet [kunnen] gebruiken.

14. en niet / evenmin immers had er zonder enige ijver / inzet van mensen zorg voor gezondheid en scheepvaart en landbouw, noch het oogsten en bewaren van vruchten en overige producten kunnen bestaan [zou er hebben kunnen bestaan].

let op: in deze laatste zin staan 5 nominativi, maar de pv is enkelvoud.

let op het verschil tussen opus, operis (groep 3, onzijdig) in regel 6 en 12, en opera, operae (groep 1) in regel 16.

let op het deponens uteremur (regel 14) met het object in de ablativus.

HaHa 12 maart 2000

 

WERKVERTALING CICERO DE OFF. III, 38

 

Ille Gyges cum terra discessisset

magnis quibusdam imbribus, descendit in illum hia-

tum aeneumque equum, ut ferunt fabulae, animad-

vertit, cuius in lateribus fores essent; quibus apertis

corpus hominis mortui vidit magnitudine invisitata

anulumque aureum in digito; quem ut detraxit, ipse

induit–erat autem regius pastor–tum in concilium

se pastorum recepit. Ibi cum palam eius anuli ad pal-

mam converterat, a nullo videbatur, ipse autem om-

nia videbat; idem rursus videbatur, cum in locum anu-

lum inverterat. Itaque hac oportunitate anuli usus

reginae stuprum intulit eaque adiutrice regem domi-

num interemit, sustulit quos obstare arbitrabatur, nec

in his eum facinoribus quisquam potuit videre. Sic

repente anuli beneficio rex exortus est Lydiae. Hunc

igitur ipsum anulum si habeat sapiens, nihil plus sibi

licere putet peccare, quam si non haberet; honesta

enim bonis viris, non occulta quaeruntur.

 

1. toen / omdat de aarde opengespleten was door enkele zware regenbuien, is die [bekende] Gyges afgedaald* in de kloof en merkte* een bronzen paard op, zoals de verhalen vertellen, in wiens flanken deuren zaten / waren. ; toen deze geopend waren zag hij een lichaam van een gestorven man met een ongekende omvang en een gouden ring aan zijn vinger; zodra hij deze eraf gehaald heeft / had, deed hij hem zelf om (hij was echter een koningsherder) en ging weer terug naar de groep / vergadering van herders.

7. wanneer hij daar de steen van die ring naar zijn handpalm had omgedraaid, werd hij door niemand gezien, maar zag zelf alles; diezelfde [man] werd echter weer gezien / zichtbaar wanneer hij de ring op zijn plaats had gedraaid.

10. nadat hij dus deze mogelijkheid van de ring benut had (deponensparticipium, dus ook te vertalen met terwijl hij..benutte) ging hij vreemd met de koningin, en met haar hulp [met haar als helpster] doodde jij zijn meester de koning, ruimde diegenen uit de weg van wie hij meende dat ze hem in de weg stonden, en niet kon bij deze misdaden ook maar iemand hem zien.

13. zo is hij opeens koning van Lydia geworden. gesteld dus dat een wijs mens [een wijze] deze ring zelf zou hebben (potentialis), dan zou hij kunnen denken dat hem geoorloofd was om niets meer / even weinig te zondigen dan wanneer hij hem niet zou hebben [dat hij net zo weinig mocht zondigen]; door goede mannen worden namelijk de moreel goede dingen gezocht / nagestreefd, niet de verborgen / geheime dingen.

* in regel 2 en 3 betekent "praesens historicum".

 

WERKVERTALING CICERO DE OFF III, 58-60

 

Ad cenam tempori venit Canius; opipare a Pythio

adparatum convivium, cumbarum ante oculos multi-

tudo, pro se quisque, quod ceperat, adferebat; ante

pedes Pythii pisces abiciebantur. Tum Canius "quaeso",

inquit, "quid est hoc, Pythi? tantumne piscium? tan-

tumne cumbarum?" Et ille "quid mirum?" inquit,

"hoc loco est Syracusis quidquid est piscium, hic aqua-

tio, hac villa isti carere non possunt." Incensus Ca-

nius cupiditate contendit a Pythio, ut venderet. Gra-

vate ille primo. Quid multa? impetrat. Emit homo

cupidus et locuples tanti, quanti Pythius voluit, et

emit instructos. Nomina facit, negotium conficit. In-

vitat Canius postridie familiares suos, venit ipse ma-

ture, scalmum nullum videt. Quaerit ex proximo vi-

cino, num feriae quaedam piscatorum essent, quod eos

nullos videret. "Nullae, quod sciam," ille, "sed hic

piscari nulli solent. Itaque heri mirabar quid accidis-

set." Stomachari Canius, sed quid faceret? Nondum

enim C. Aquilius, collega et familiaris meus, protule-

rat de dolo malo formulas; in quibus ipsis, cum ex

eo quaereretur, quid esset dolus malus, respondebat,

cum esset aliud simulatum, aliud actum.

 

1 Canius kwam op de afgesproken tijd ter maaltijd; overdadig is / was door Pythius een feestmaal voorbereid, een massa bootjes [was gereed gemaakt] voor z’n ogen; iedere visser leverde aan wat hij gevangen had, voor Pythius’ voeten werden de vissen neergelegd.

4. toen zei Canius: "aub, wat is [betekent] dit, Pythius? zoveel vissen? zoveel bootjes?" hij antwoordde: "niets speciaals; op deze plaats is het in Syracuse een en al vis, hier is vers water, die lui kunnen dit landgoed niet missen [kunnen niet zonder dit landgoed]".

8. laaiend van begeerte dringt hij er bij P. op aan om te verkopen; hij maakte eerst bezwaar; om kort te gaan: hij krijgt het voor elkaar; de begerige en steenrijke kerel koopt het voor zoveel als P. wilde, en hij koopt [ook] de meubels; hij sluit de koop, en maakt de handel af.

12. Canius nodigt de volgende dag zijn kennissen uit, zelf komt hij vroeg; hij ziet geen spoor van een boot, vraagt aan de naaste buurman of er een of andere vrije dag van de vissers was, omdat hij hen geen / nergens zag.

"geen (vrije dag), voorzover ik weet", zei hij, "maar hier plegen helemaal geen [mensen] te vissen; daarom was ik gister al verbaasd wat er gebeurd was".

16. Canius was boos; maar wat moest hij doen? nog niet immers had Aquilius, ’n collega en vriend van me, zijn definitie geformuleerd van valse opzet; toen hem hierover werd gevraagd wat valse opzet was, antwoordde hij: wanneer het ene gesimuleerd is /was, en het andere gedaan.

 

WERKVERTALING CICERO, TUSC. DISP. V, 91-92

 

Xenocrates, cum legati ab Alexandro quinqua-

ginta ei talenta attulissent, quae erat pecunia tempori-

bus illis, Athenis praesertim, maxuma, abduxit lega-

tos ad cenam in Academiam; is apposuit tantum,

quod satis esset, nullo apparatu. cum postridie ro-

garent eum, cui numerari iuberet, 'quid? vos hesterna'

inquit 'cenula non intellexistis me pecunia non egere?'

quos cum tristioris vidisset, triginta minas accepit, ne

aspernari regis liberalitatem videretur. at vero Dio-

genes liberius, ut Cynicus, Alexandro roganti, ut di-

ceret, si quid opus esset, 'nunc quidem paululum' in-

quit 'a sole.' offecerat videlicet apricanti. et hic qui-

dem disputare solebat, quanto regem Persarum vita

fortunaque superaret; sibi nihil deesse, illi nihil satis

umquam fore; se eius voluptates non desiderare, qui-

bus numquam satiari ille posset, suas eum consequi

nullo modo posse.

 

1. Xenocrates heeft, toen / omdat gezanten van Alexander hem 50 talenten hadden gebracht –wat in die tijd, vooral in Athene, heel veel geld was-, de gezanten meegenomen naar een maaltijd in de Academie. hij zette hun zoveel voor dat het genoeg moest zijn, zonder uiterlijk vertoon / show. toen ze hem de volgende dag vroegen aan wie ze moesten betalen, zei hij: "wat? hebben jullie door die maaltijd van gister niet begrepen dat ik geen geld nodig heb?"

7. omdat hij gezien had dat ze nogal bedroefd waren, nam hij dertig mina aan, opdat hij niet de indruk wekte / zou wekken de royaliteit van de koning te versmaden / te minachten.

9. at vero: maar nou eens iets heel anders:

Diogenes zei op een nogal vrijmoedige manier, zoals een Cynicus dat doet, tegen Alexander, terwijl / toen die vroeg om het maar te zeggen als er iets nodig was / als hij iets nodig had: "Ga een beetje uit mijn zon"; A. had hem namelijk bij het zonnen gestoord.

11. en hij had wel de gewoonte om uiteen te zetten [met] hoeveel hij de koning van de Perzen in leven en geluks (levensgeluk) overtrof: dat het hem (zelf) aan niets ontbrak, maar dat er voor hém niets ooit genoeg was; dat hij diens geneugten niet nodig had / hoefde, waarmee hij nooit verzadigd kon worden (waarvan hij nooit geneoeg kon krijgen), maar dat hij (de koning) op geen enkele manier die van hem (Diogenes) kon krijgen / bereiken.