Sophokles-syllabus 1997 gescand (hopelijk foutloos) uit: Uitleg OCenW-regelingen nr.18a 12 juli 1995, pp.22-25 1. De Griekse tragedie 1.1. Opvoering en stofkeuze De Attische tragedies uit de 5e eeuw waren bestemd om te worden opgevoerd op Dionysosfeesten. De ons bewaarde stukken zijn alle gespeeld op het belangrijkste festival: de grote Dionysia in Athene, jaarlijks gevierd in maart/april. In het algemeen ontleenden de dichters hun onderwerpen aan mythen en legenden. Na eeuwenlange mondelinge overlevering waren vele verhalen over de Trojaanse oorlog en het konings- huis van Thebe neergelegd in een aantal epen, ontstaan in de 8e en 7e eeuw. Ook gebruikten de tragediedichters locale legenden, die veelal ge‹nspireerd waren door een bepaalde cultus. Daarnaast was niet uitgesloten dat zij rond bestaande mythologische figuren nieuwe verhalen cre‰erden. Wanneer een tragedie was gebaseerd op een mythe die aan de toeschouwers bekend was, hield dit geenszins in dat zij heel precies wisten wat er ging komen. Van de verhalen lagen nl. alleen de hoofdmomenten vast; wat daarbuiten viel konden de tragediedichters steeds opnieuw zelf invullen. Ook al wisten de toeschouwers hoe het stuk zou aflopen, ze wisten niet hoe die afloop bereikt zou worden. Bekend verondersteld worden: - de figuren uit de Thebaanse sagenkring die behoren tot de voorgeschiedenis van de Antigone: Laios, lokaste, Oidi- pous, Eteokles, Polyneikes - de Olympische goden De kandidaat kan vragen beantwoorden over de relatie tussen drama en mythe en kan verwijzingen near de voorgeschiedenis van de gelezen tragedie expliciteren en duidelijk maken. 1.2. Ontstaan en ontwikkeling van de tragedie Volgens verschillende antieke bronnen was de dichter Thespis de eerste die, rond 534, op de grote Dionysia een prijs won met een tragedieopvoering; volgens een van die bronnen zou hij een bok (þþþþþþ) als prijs hebben gekregen. Aristoteles vermeldt dat de tragedie is ontstaan uit de dithy- rambe, een koorlied ter ere van Dionysus. Blijkbaar stelde hij zich voor dat degene die voorging in de zang en de dans op een gegeven moment als acteur was gaan optreden. In ieder geval is de tragedie altijd een combinatie geweest van (koor)zang, dans en gesproken woord. De gesproken verzen zijn geschreven in het Attische dialect; in de liederen vindt men, zoals in alle koorlyriek, ook Dorische elementen. In de beginperiode trad slechts ‚‚n acteur (þþþþþþþþþ) op. Op instigatie van Aischylos werd een tweede acteur toegevoegd, op die van Sophokles een derde; dit laatste gebeurde omstreeks 460. Afgezien van drie tragedies van Aischylos zijn voor alle ons bewaarde stukken drie acteurs vereist. Veel tragedies die in de 5e eeuw op de Dionysia zijn opge- voerd, zijn voor ons verloren gegaan. De stukken die we over hebben zijn van de hand van Aischylos (ca.525-456), Sophokles (ca.495-406) en Euripides (ca.485-406). De kandidaat kan vragen beantwoorden over het ontstaan en de ontwikkeling van de tragedie. 1.3.1. De organisatie van de opvoeringen - voorselectie van de drie uit te voeren tetralogie‰n, - toekenning van prijzen door een jury, - de dichter tevens componist en regisseur, soms ook acteur, - bekostiging van alles wat met het koor samenhing (training en levensonderhoud in de repetitieperiode, kostuums, salaris van de þþþþþ-speler) als een vorm van directe belasting (þþþþþþþþþþ) door een þþþþþþþ, - beroepsacteurs betaald uit de staatskas 1.3.2. De inrichting van het theater etc. - toneelgebouw (þþþþþ), eisodoi, orchestra - þþþþþþþæþ - æþþþþþ ('deus ex machina') - maximaal drie (manlijke) acteurs, dubbelrollen, figuranten - maskers, kleding, schoeisel 1.3.3. Onderdelen van de tragedie proloog, parodos, stasima, epeisodia, exodos bodeverhaal, kommos, stichomythie 1.3.4. Aristoteles' Poetica Van zeer grote invloed in later tijd zijn Aristoteles' be- schouwingen over de Griekse tragedie geweest. In de ogen van 17e eeuwse toneeldichters (Vondel, de Franse classicisten) moest een drama, wilde het werkelijk van hoge waarde zijn, aan de door hem gestelde normen voldoen. Zo destilleerde men uit zijn werk de z.g. drie eenheden: die van tijd, plaats en handeling, hoewel Aristoteles slechts vaststelt dat in de meeste tragedies de gespeelde tijd de duur van een etmaal niet overschrijdt en zich over de plaats eigenlijk niet uitlaat. De eenheid van handeling schrijft hij evenwel dwingend voor. De plot (æþþþþ) moet samenhang vertonen en de gebeurtenissen moeten op elkaar volgen volgens het noodzakelijke (þþ þþþþþþþ- þþ) of het waarschijnlijke (þþ þþþþþ). Aangezien de tragedie primair een handeling uitbeeldt en geen mensen, acht Aristote- les de plot het belangrijkst. Het karakter van de personages, hun 'morele persoonlijkheid' (þþþþ), is daaraan ondergeschikt. Het þþþþ wordt duidelijk door het handelen en door de wijze waarop het handelen door de personages wordt gemotiveerd. Aristoteles slaat die tragedies het hoogst aan waarin een þþþþþþþþþþ (plotselinge omslag) optreedt, gepaard aan een þþþþþþþþþþþ (herkenning). De emoties die de opvoering in het publiek moet wekken zijn medelijden (þþþþþ) en vrees (þþþþþ). Het medelijden geldt de personages. Over de vraag wie de vrees geldt zijn de meningen verdeeld. Volgens sommigen geldt de vrees eveneens de persona- ges, volgens anderen de toeschouwer zelf. Hem immers zouden vergelijkbare dingen kunnen overkomen. Om deze emoties moge- lijk te maken mag het þþþþ van de belangrijke personages niet te ver af staan van het onze: ze mogen niet werkelijk slecht zijn, maar ook niet zedelijk volmaakt: De kandidaat kan vragen beantwoorden over de organisatie van de opvoeringen. De kandidaat kan tekstpassages uit de Antigone relateren aan de condities van de opvoering in het Griekse theater. De kandidaat kent de onder 1.3.3. genoemde begrippen, zodat ze zonder nadere toelichting in vragen kunnen worden gebruikt. De kandidaat is vertrouwd met de in 1.3.4. genoemde aspecten van Aristoteles' Poetica en kan daarover vragen beantwoorden in relatie tot de Antigone. 1.4. (Cultuur)historische achtergronden Een rechtstreeks verband met de historische actualiteit valt in de stukken van de Attische tragici slechts zelden aan te wijzen. Toch moeten de tragedies geplaatst worden tegen de achtergrond van hun tijd - waar het de Antigone betreft is dat de periode van de Perzische oorlogen tot cirea 440. Na de overwinning op de Perzen, waarin de Atheense vloot een belangrijk aandeel had gehad, werd onder auspiciën van Athene de Delisch-Attische Zeebond opgericht. Deze bond, die oor- spronkelijk ten doel had de strijd tegen de Perzen voort te zetten, ontwikkelde zich al snel tot een Atheens imperium ter zee. Pogingen om dit imperium te behouden en te vergroten brachten Athene herhaaldelijk in gewapend conflict met andere Griekse steden. De oorlog tegen Perzi‰ werd in 449 formeel be‰indigd. Kort na 460 bereikte de democraitische staatsvorm zijn vol- tooiing. Perikles speelde hierbij een belangrijke rol. Hij was het ook die het initiatief nam tot de herbouw van de door de Perzen verwoeste tempels. Toen de Antigone werd opgevoerd, was de bouw van (o.a.) het Parthenon in volle gang. Athene oefende grote aantrekkingskraeht uit op de bewoners van de rest van de Griekse wereld. Op de Dionysia kwamen veel bezoekers van buiten Attica. Bekende tijdgenoten van Sophok- les, Protagoras b.v. en Herodotos, hebben een tijd lang in Athene gewoond. Herodotos was waarschijnlijk een persoonlijke vriend van Sophokles. De kandidaat bezit kennis van de (cultuur)historische context waarin de Antigone is ontstaan. 1.5. Biografische gegevens; gegevens over de Antigone Sophokles' leven beslaat bijna de hele vijfde eeuw. Alleen het voor Athene catastrofale einde van de Peloponnesische oorlog - een einde dat toen hij stierf nog niet te voorzien was - heeft hij niet meer meegemaakt. Naast zijn dichterschap heeft hij ook in het openbare leven een rol gespeeld, o.a. in de functie van strateeg. Zijn dichterlijke productie is enorm geweest. In totaal heeft hij ongeveer 120 stukken geschreven, d.w.z. ‚‚n tetralogie per twee jaar, sinds hij ca. 470 voor het eerst als toneeldichter optrad. Hij is tot zijn dood actief gebleven. Zijn laatste stukken zijn postuum opgevoerd. De Antigone is in of omstreeks 442 op de Dionysia opgevoerd. Het stuk is gebaseerd op een verhaal waarvan vermoedelijk zelfs de hoofdmomenten (vgl.1.1) nauwelijks vastlagen. Sophok- les heeft Oidipous' dochters en hun namen niet verzonnen en waarschijnlijk ook niet Antigone's poging om Polyneikes te begraven. Maar er is alle reden om aan te nemen dat de verdere gebeurtenisssen en evenzo de personage-constellatie vrije vinding van Sophokles waren. De kandidaat kan vragen over bovenstaande gegevens beantwoor- den. 2. Griekse teksten en teksten in vertaling. 2.1. De Antigone De gedeelten die in het Grieks worden gelezen omvatten vrijwel het hele optreden van de belangrijkste personages en geven een volledig beeld van hun onderlinge conflicten en de beweegrede- nen die hun handelen bepalen. De passages die met een pluste- ken zijn gemerkt worden in vertaling gelezen, zodat de beteke- nis en de opbouw van de tragedie in haar geheel tot hun recht kunnen komen. De gebruikte Oxford Classical Text is die van A.C. Pearson 1928 (2e druk). Proloog 1-99 dialoog tussen Antigone en Ismene Parodos 100-161+ le Epeisodion 162-222 Kreons 'troonrede'; korte dialoog met het koor; 223-277+ ondervraging van de wachter en diens relaas; 278-331 reacties van koor en Kreon; woordenwisseling Kreon en wachter; le Stasimon 332-375+ 2e Epeisodion 376-440+ bodeverhaal 441-581 dialoog tussen Antigone en Kreon; vergeefse poging van Ismene enige invloed op hen beiden uit te oefenen; 2e Stasimon 582-625+ 3e Epeisodion 626-780 confrontatie van Kreon met Haimon; 3e Stasimon 781-801+ 4e Epeisodion 802-882+ Kommos Antigone en koor; 883-943 Kreons aansporing Antigone weg te brengen; haar laat- ste rhŠsis; anapesten van koor, Kreon en Antigone 4e Stasimon 944-987+ 5e Epeisodion 988-1114 confrontatie van Kreon met Teiresias; het zwichten van Kreon 5e Stasimon 1115-1152+ Exodus 1155-1182 openingswoorden van de e- xangelos; korte dialoog met het koor 1183-1353+ optreden Eurydike; bodever- haal; kommos Kreon en koor; epiloog De kandidaat kan vragen beantwoorden over tekstgedeelten uit de Antigone. De thematiek en het verloop van de tragedie worden daarbij bekend verondersteld. Van de kandidaat wordt verwacht dat hij de in deze teksten voorkomende namen, termen en begrippen kent. De voorgelegde tekst wordt op dit punt niet geannoteerd. Morfologische en syntactische verschijnselen in Griekse tekstgedeelten worden evenmin geannoteerd. 2.2. Teksten in vertaling De volgende teksten worden in vertaling gelezen: - Sophokles Elektra 992-1057: dialoog tussen Elektra en Chrysothemis, die gelegd kan worden naast de proloog van de Antigone. Beide gaan over de vraag: is men tot het onmogelijke gehouden? - Sophokles Aias 1316-1375: discussie tussen Agamemnon en Odysseus over het al dan niet begraven van Aias. Vgl. Antigone 511-525: stelt de dood een limiet aan de haat? - Sophokles Oidipous Tyrannos 863-872 Aristoteles Rhetorica 1373 b 4-13 Xenophon Memorabilia 4.4.19: de ongeschreven wetten; verschillen en overeenkomsten t.o.v. Antigone 450-460. - Euripides Phoinissae 1627-82: debat tussen Kreon en Antigone. Antigone krijgt geen kans om Polyneikes de laatste eer te bewijzen. Ze dreigt Haimon te doden als Kreon haar dwingt met hem te trouwen en kondigt aan dat ze samen met Oidipous het land zal verlaten. Illustratief voor 1.1. en 1.5. - Euripides Hiketides 399-437: debat tussen Theseus en de Thebaanse heraut over de relatie tussen vorst en burgers; vgl. Antigone 730-739. - Herodotos 3.119: de vrouw van Intaphrenes verkiest het leven van haar broer boven dat van haar man en haar zoons; vermoedelijke inspiratiebron van Antigone 904-911. De kandidaat kan vragen beantwoorden over de thematiek van de hierboven genoemde teksten in relatie tot die van de Antigone. 3. Taal, termen en begrippen 3.1 De omschrijving door de CEVO van de minimumkennis op het gebied van morfologie en syntaxis vormt het uitgangspunt bij de annotatie van de op het centrale examen voorgelegde authen- tieke (ongelezen) tekst. Daarnaast worden de volgende ver- schijnselen bekend verondersteld: - krasis - 2e p.sing.praes. en fut. medii op -þ i.p.v. -þþ - 1e p.plur.medii op -æþþþþ, i.p.v. -æþþþ - dativus pluralis op -þþþþ(þ) en -þþþþ(þ) i.p.v. -þþþ en -þþþ - -þþ- i.p.v. -þþ- - het regelmatig ontbreken van het lidwoord - het gebruik van verba simplicia i.p.v. verba composita - het ontbreken van preposities - het gebruik van preposities in postpositie - þþþ + part. ter omschrijving van het perfectum De kandidaat kan zijn kennis van de Griekse taal zoals die in de tragedies van Sophokles wordt gebruikt demonstreren door het vertalen van een ongeziene authentieke tekst, die qua aard en moeilijkheidsgraad nauw aansluit bij de gelezen teksten, waarbij de hierboven genoemde verschijnselen in beginsel niet zullen worden geannoteerd. 3.2. - metafoor en vergelijking - dramatische ironie De kandidaat kan in een hem voorgelegde tekst metafoor of vergelijking identificeren en, zo dit duidelijk is vast te stellen, het effect ervan beschrijven. De kandidaat is vertrouwd met het begrip dramatische ironie en kan daarover vragen beantwoorden in relatie tot de gelezen tragedie. 5. De receptie van Sophokles' Antigone De Antigone is in de loop van de tijd op zeer uiteenlopende wijzen ge‹nterpreteerd en heeft talloze auteurs ge‹nspireerd tot een eigen, nieuwe visie op Antigone's conflict met Kreon en op haar personage. De hier volgende voorbeelden stammen alle uit de 20e eeuw. - Jean Anouilh, Antigone: in de centrale dialoog tussen Kreon en Antigone blijkt haar motivering een geheel andere dan die van Sophokles' Antigone; later in het stuk zegt Kreon met recht: 'Poly- nice n'‚tait qu'un pr‚texte'. (Editions de la Table ronde, p.62, C'est Vrai?- 99 Enfin Cr‚on!) - Bertolt Brecht, Antigone: Brecht maakt Kreon tot aanstichter van de oorlog; de reden waarom Antigone deze oorlog verwerpt speelt een centrale rol in hun discussie. (Edition Suhrkamp. vv.352- -492) - Athol Fugard, The Island: de dialoog tussen Kreon en Antigone bevat voor twee gevangenen op het Robbeneiland de essentie van wat met hen zelf is gebeurd en dagelijks met anderen gebeurt. (In: The township Plays (Oxford 1993); met name pp.223-- 227) - Yannis Ritsos, Ismene: in dit gedicht vertelt Antigone's nu oud geworden zuster hoe Antigone in haar herinnering leeft. (In Engelse vertaling in The fourth dimension (Princeton U.P.1977); zie vooral pp.196-199) - Alfred D”blin, november 1918: in deze roman wordt een zojuist van het front terugge- keerde leraar bij de behandeling van de Antigone gecon- fronteerd met de door oorlogspropaganda vergiftigde reacties van zijn jongensklas. (zie het slotdeel, geti- teld Karl und Rosa (Olten 1991), pp.189-202; 219-226) Voor een algemene ori‰ntatie zie men: George Steiner, Antigo- nes (Oxford 1984); Jane Davidson Reid, The Oxford Guide to classical Mythology in the Arts, 1300-1990s (Oxford 1993) De kandidaat kan een tekst die op de Antigone is ge‹nspireerd interpreteren en relateren aan Sophokles' tragedie.