| startpagina | Frankrijk in de 17e eeuw | Italië in de 16e eeuw | commedia dell árte |

Instrumentale Hofmuziek.
Naast de vocale hofmuziek was er in de zestiende eeuw ook specifiek instrumentale muziek.
Het hoorde bij de goede opvoeding van de mensen aan het hof om de hofdansen te kunnen dansen, maar ook om met elkaar te musiceren. De vorsten uit die tijd bespeelden ook vaak een instrument. De gestileerde dansmuziek was om op te dansen, maar ook was er instrumentale dansmuziek om naar te luisteren.

 

Hofdans
Dans is een van de meest elementaire menselijke bezigheden en is altijd met muziek verbonden. In Oudheid, Middeleeuwen en Rennaissance werd dansmuziek meestal door instrumentalisten (speellieden) geïmproviseerd. Ook waren er dansliederen, met een refrein. Herhaling speelt een belangrijke rol in dansmuziek.

Hofdansen zijn voortgekomen uit volksdansen en geven uitdrukking aan het streven naar een verfijnde levensstijl, door een aristocratische elite. Ze bloeiden vooral in de hofcultuur van de zestiende tot en met de achttiende eeuw.

Alle dansen volks of hoofs waren groepsdansen met een gevarieerde paarvorming. Pas in de 19e eeuw ontstaat de dans voor één paar. Groepsdansen bestaan nu nog als reidansen voor kinderen, volksdans,  country-linedance en de polonaise.
Reeds in de Rennaissance volgde er op een langzame geschreden dans (tweedelige maatsoort) een snelle spring- of draaidans (driedelige maatsoort). Paarvorming wordt ook in de Barok gehandhaaft en er ontstaan bovendien suites (suite betekent aaneenschakeling). Dit gebeurde vooral in de talrijke balletten van de opera's waaraan de adel zelf deelnam.

De belangrijkste dansen van de Barok (van de suite) waren:

pavane (low) - 100kb

pavane (high) - 319kb

De naam is afkomstig van het Spaanse pavo, pauw of van de Italiaanse stad Padua. Het is een plechtige hoofse geschreden dans in een even maatsoort uit het begin van de 16e eeuw.
gaillarde (low) - 110kb

gaillarde (high) - 349kb

De naam is afkomstig van het Italiaanse gagliarda, snel. Het is een snelle Frans/ Italiaanse dans in driedelige maatsoort, vanaf ongeveer 1600 de hoofse nadans van de pavane.
allemande (low) - 90kb

allemande (high) - 287kb

De naam is afkomstig uit het Frans en betekent: Duitse dans. Het is een rustige geschreden dans. Begint met een opmaat en heeft een even maatsoort. Hofdans in de 17e eeuw, gestileerd als de openingsdans van de suite.
courante (low) - 89kb

courante (high) - 283kb

De naam is afkomstig uit het Frans en betekent vlugge dans. Het heeft een driedelige maatsoort en is vanaf de 17e eeuw een hofdans. Het is de tweede vaste dans in de suite.
sarabande (low) - 94kb

sarabande (high) - 300kb

Oorspronkelijk een snelle geschreden dans afkomstig uit Spanje. Vanaf de 17e eeuw aan het Franse hof. Het heeft een driedelige maatsoort en is de derde vaste dans van de suite.


Een levendige hofdans met sprongen uit de rennaissance

 

De danssuite

De danssuite is een aaneenschakeling van instrumentaal uitgevoerde dansen in dezelfde toonsoort die als een geheel werd gespeeld. De verschillende delen uit zo’n suite hadden allemaal een ander dansritme maar ze waren niet bedoeld om op te dansen.
De componisten uit die tijd wilden de luisteraars en spelers een plezier doen met ritmes die hen vertrouwd waren. De dansen hadden verschillende namen zoals:  allemande, gaillarde, courante en gigue, met elk hun specifieke karakter door de maatsoort waarin ze stonden en het tempo van de dans. Zo had elke dans zijn eigen dansritme.

In de zeventiende eeuw ontwikkelde zich ook de orkestsuite (ook ouverture genoemd) . Deze orkestsuite diende vaak als voorstuk van een opera. Er werd in die tijd veel gemusiceerd aan het hof. Voor grote feesten werden grote theaterspektakels, opera’s enz. uitgevoerd, maar er werd ook in kleinere ensembles gemusiceerd. Dit noemen we de kamermuziek. 

Ouverture
De ouverture is de instrumentale inleiding van een opera, oratorium, theaterstuk, suite enz. Tot in de 17e eeuw waren er geen vaste vormen voor zulke voorspelen. Meestal waren het korte stukken, die het begin van een voorstelling aangaven en de toeschouwer om zijn aandacht vroegen. In de 17e eeuw ontwikkelde zich naast deze operavoorspelen, de zogenaamde canzona-ouverture van de Venetiaanse opera met een langzaam deel in een even maatsoort en een snel deel in een oneven maatsoort; zij werd voorbeeld voor de:

Franse ouverture 
Deze komt voor het eerst voor bij Lully in Parijs (1658) en werd het bekendste ouverture-type van de Barok. Ze is driedelig:

  • eerste deel - langzaam, tweedelige maat en plechtig karakter
  • tweede deel - snel, driedelige maatsoort en beweeglijk karakter
  • derde deel - langzaam en gebaseerd op eerste deel
Een voorbeeld van een ouverture uit de opera 'Atys' van Lully
Jean Baptiste Lully - Ouverture uit 'Atys' low (139kb)
  Ouverture uit 'Atys' high (443kb)

Tegen het einde van de 17e eeuw verscheen er een nieuw soort compositie voor orkest, het concerto, dat na 1700 het belangrijkste orkestrale muziektype uit de barok werd.
Er waren 3 typen: het concerto voor orkest, het concerto grosso en het soloconcerto. De laatste twee kwamen het meest voor.

Rond 1800 trad de "hofmuziek" meer en meer op de achtergrond, doordat het openbare concertleven in betekenis toenam

 

Basso continuo

Renaissancemuziek was polyfonie (onafhankelijk bewegende stemmen). In de barok was de nadruk op een stevige bas, als basis voor een rijk versierde melodiepartij een belangrijke vernieuwing.
Door het ontstaan van de monodie (het eenstemmige lied) met begeleiding ontstond aan het eind van de zestiende eeuw de behoefte aan akkoorden als begeleiding. Hierdoor ontstond de basso continuo, ook wel becijferde bas genoemd.  Het is een beknopte notatie van een begeleidende muziekpartij, die uitgevoerd wordt op een akkoordinstrument (klavecimbel, orgel, luit). Bij uitvoering werd de bas vaak versterkt door viola da gamba, cello of fagot.
 

Via de becijferde bas ontwikkelde de muziek zich van een melodische naar een harmonische structuur (akkoorden). Deze verandering droeg in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van het majeur-mineur systeem, wat de basis wordt van de 18e en 19e eeuwse muziek.

Dit is een uitgewerkte basso continuo partij. De klavecinist kreeg uitsluitend
de onderste regel (de bas en de cijfers) en de bovenste regel (Fluit) voor zijn neus.
De rode noten geven een mogelijke uitwerking weer die de muzikant ter plekke moest verzinnen.

 

De instrumenten uit de zestiende en zeventiende eeuw zagen er ook wel wat anders uit  en hadden ook een andere klank dan de instrumenten uit deze tijd.

Ze worden nu nog wel gemaakt, omdat er nu nog liefhebbers zijn van de muziek uit de Renaissance en Barok.  


een muziekgezelschap met klavecimbel, luit, blokfluit en viola da gamba (Rennaissance)


Een luitspeelster en een zanger in Italië, in de 17e eeuw

Neem eens een kijkje bij onderstaande adressen dan kun je eens rustig een aantal van die oude instrumenten bekijken:

 

Enkele instrumenten uit de zestiende en zeventiende eeuw.

De Luit.         

De Luit is een tokkelinstrument. 
Het werd in de 16e eeuw gebruikt om melodieën te bege- leiden. 
In de 17e eeuw werd de luit door de  toetsinstrumenten verdrongen.

Het Klavecimbel.

Het klavecimbel is een snaar- en een  toetsinstrument. 
De snaren worden aangetokkeld wanneer je een toets indrukt. 
De toetsen zijn soms zwart-wit en soms wit-zwart.
 

 1.    Maak bij deze tekst opdracht acht.

 2.    Maak daarna opdracht negen en opdracht tien

| startpagina | Frankrijk in de 17e eeuw | Italië in de 16e eeuw | commedia dell árte |