Inleiding Middeleeuwen Renaissance Barok Klassiek Romantiek XXste eeuw s

Algemeen
Impressionisme

Expressionisme

Neo-classicisme

Stijlen na 1950

Stijlkenmerken

Oefenen
Quiz

Jazz

 

Stijlkenmerken

Tonaliteit

De tonaliteit was het eerste muzikale element dat spectaculaire veranderingen onderging. Het uitgangspunt van het tonale stelsel, dat er vanuit een welbepaald tooncentrum (tonica) vaste relaties tussen toonhoogtes bestaan (dominant en subdominant), waardoor de luisteraar ongeveer kan verwachten wat hij te horen krijgt, begon te wankelen.

Aan het eind van de romantische periode, verzwakte door de steeds verdergaande toepassing van chromatiek, de traditionele tonale relaties. Ook kwam de klassieke tonaliteit door veelvuldige modulaties naar 'vreemde' toonsoorten flink onder druk te staan. Maar de majeur-en mineurtoonladders overheersten nog steeds.

In het begin van de 20e eeuw begonnen componisten de tonaliteit echter geheel anders te behandelen en niet lang daarna werd het aloude stelsel door enkele componisten geheel geëlimineerd. Eerst werden afwijkende toonladders (pentatonische, heletoons-, octotonische en kwarttoonstoonladders) populair en vervolgens werden twee of meer verschillende toonladders gelijktijdig in één compositie gebruikt (bi- en polytonaliteit)

Omdat door het gebruik van deze toonladders niet aan het traditionele verwachtingspatroon van de luisteraar voldaan werd, vereiste deze muziek een geheel andere luisterhouding. Dit geldt in het bijzonder voor de situatie na de introductie van de a-tonaliteit (twaalftoontechniek, serialisme).

Ritme en tempo

In het algemeen geldt dat de ritmiek in de 20e eeuwse kunstmuziek meer nadruk krijgt dan de melodievorming.
Motieven zijn vaak gesyncopeerd en het samengaan van twee of meer gelijktijdige melodische lijnen in verschillende maatsoorten en met verschillende ritmen resulteerde in polymetriek en polyritmiek.
Daarnaast worden asymetrische maatsoorten met verdelingen in vijven of zevenen gebruikt en kan de maatsoort in elke maat wijzigen.
De meest baanbrekende daad op het terrein van de ritmiek stelde Igor Stravinsky vroeg in de eeuw met zijn balletmuziek '
Le Sacre du Printemps' (1913).

Melodie

Door grote melodische intervallen te gebruiken (die onderling geen tonaal verband vertonen), schreven 20e eeuwse componisten vaak grillige melodieën. De melodieën zijn meestal kort, gebroken en gefragmenteerd.

Samenklank en harmonie

Veel twintigste eeuwse componisten vermeden geijkte drieklankconstructies en gaven de voorkeur aan een harmonie van kwarten (gebaseerd op kwartintervallen), van clusters (gebaseerd op secunden) of akkoorden (van welke aard dan ook) die gebaseerd waren op enkele tonen uit de twaalftoonreeks. In het algemeen werd de harmonie daardoor veel dissonanter dan in vroegere stijlperioden.

Twintigste eeuwse componisten gebruikten akkoorden als autonome kleurwaarden. Zij gebruikten akkoorden niet langer zoals vroegere componisten (waar het ene akkoord wordt opgevolgd door een voorspelbaar ander akkoord; functionele harmonie). Dit resulteerde in 'niet functionele harmonie', die vooral zijn wortels heeft in de muziek van Debussy

klankleur

Klankkleuren van traditionele instrumenten worden uitgebreid door ander speeltechnieken:

  • strijkers bespelen hun instrument met het hout van de stok (col legno) of vlak bij de kam (col ponticello)
  • blazers ontwikkelen technieken om twee tonen tegelijkertijd te laten klinken
  • de piano wordt soms aan de binnenkant op de snaren en het klankbord bespeeld. De componist John Cage (1912-1992) stak diverse voorwerpen (zoals gummetjes, bierviltjes en schroeven) tussen de snaren van de piano om de klank te veranderen. De piano op deze manier bewerken wordt 'prepared piano' genoemd

Door de aanwending van nieuwe geluidsbronnen (synthesizer), elektronische versterking en manipulatie, de opkomst van de computer en geavanceerde software, zijn de mogelijkheden vrijwel onbegrensd.

Ook het gebruik van de menselijke stem veranderde: vaak werd de stem meer als een ínstrument' (met zeer veelzijdige en specifieke mogelijkheden om klanken voort te brengen) aangewend dan als de geijkte zangstem.
Voor sommige vocale composities werd de 'Sprechstimme', die het midden houdt tussen zingen en spreken, voorgeschreven.

Dynamiek en vorm

De twee muzikale elementen die in de 20e eeuw niet drastisch veranderden, zijn dynamiek en vorm. De 20e eeuwse componisten hebben de neiging extreme dynamische contrasten te vermijden (dit in tegenstelling tot hun romantische collega's).

Vrij klankidioom

Waar Debussy het akkoord verzelfstandigde en Schönberg en zijn leerlingen de enkele toon, gaat Edgar Varèse (1883-1965) verder. Hij verbrak de traditionele band tussen melodie, harmonie en ritmiek op radicale wijze. Bij Varèse hebben tonen, akkoorden en ritmische patronen een volkomen autonome betekenis. Hij schiep op die manier een klankenidioom dat geheel 'vrij' is.