|
Tonaliteit
De
tonaliteit was het eerste
muzikale element dat spectaculaire
veranderingen onderging.
Het uitgangspunt van het
tonale stelsel, dat er vanuit
een welbepaald tooncentrum
(tonica) vaste relaties
tussen toonhoogtes bestaan
(dominant en subdominant),
waardoor de luisteraar ongeveer
kan verwachten wat hij te
horen krijgt, begon te wankelen.
Aan
het eind van de romantische
periode, verzwakte door
de steeds verdergaande toepassing
van chromatiek, de traditionele
tonale relaties. Ook kwam
de klassieke tonaliteit
door veelvuldige modulaties
naar 'vreemde' toonsoorten
flink onder druk te staan.
Maar de majeur-en mineurtoonladders
overheersten nog steeds.
In
het begin van de 20e eeuw
begonnen componisten de
tonaliteit echter geheel
anders te behandelen en
niet lang daarna werd het
aloude stelsel door enkele
componisten geheel geëlimineerd.
Eerst werden afwijkende
toonladders (pentatonische,
heletoons-, octotonische
en kwarttoonstoonladders)
populair en vervolgens werden
twee of meer verschillende
toonladders gelijktijdig
in één compositie gebruikt
(bi- en polytonaliteit)
Omdat
door het gebruik van deze
toonladders niet aan het
traditionele verwachtingspatroon
van de luisteraar voldaan
werd, vereiste deze muziek
een geheel andere luisterhouding.
Dit geldt in het bijzonder
voor de situatie na de introductie
van de a-tonaliteit (twaalftoontechniek,
serialisme).
Ritme en tempo
In het algemeen geldt dat de ritmiek in de
20e eeuwse kunstmuziek meer
nadruk krijgt dan de melodievorming. Motieven
zijn vaak gesyncopeerd en
het samengaan van twee of
meer gelijktijdige melodische
lijnen in verschillende
maatsoorten en met verschillende
ritmen resulteerde in polymetriek
en polyritmiek. Daarnaast
worden asymetrische maatsoorten
met verdelingen in vijven
of zevenen gebruikt en kan
de maatsoort in elke maat
wijzigen. De meest baanbrekende
daad op het terrein van
de ritmiek stelde Igor Stravinsky
vroeg in de eeuw met zijn
balletmuziek 'Le
Sacre du Printemps'
(1913).
Melodie
Door grote melodische intervallen te gebruiken
(die onderling geen tonaal
verband vertonen), schreven
20e eeuwse componisten vaak
grillige melodieën. De melodieën
zijn meestal kort, gebroken
en gefragmenteerd.
Samenklank en harmonie
Veel twintigste eeuwse componisten vermeden
geijkte drieklankconstructies
en gaven de voorkeur aan
een harmonie van kwarten
(gebaseerd op kwartintervallen),
van clusters (gebaseerd
op secunden) of akkoorden
(van welke aard dan ook)
die gebaseerd waren op enkele
tonen uit de twaalftoonreeks.
In het algemeen werd de
harmonie daardoor veel dissonanter
dan in vroegere stijlperioden.
Twintigste
eeuwse componisten gebruikten
akkoorden als autonome kleurwaarden.
Zij gebruikten akkoorden
niet langer zoals vroegere
componisten (waar het ene
akkoord wordt opgevolgd
door een voorspelbaar ander
akkoord; functionele harmonie).
Dit resulteerde in 'niet
functionele harmonie', die
vooral zijn wortels heeft
in de muziek van Debussy
klankleur
Klankkleuren
van traditionele instrumenten
worden uitgebreid door ander
speeltechnieken:
- strijkers
bespelen hun instrument
met het hout van de
stok (col legno) of
vlak bij de kam (col
ponticello)
- blazers
ontwikkelen technieken
om twee tonen tegelijkertijd
te laten klinken
- de
piano wordt soms aan
de binnenkant op de
snaren en het klankbord
bespeeld. De componist
John Cage (1912-1992)
stak diverse voorwerpen
(zoals gummetjes, bierviltjes
en schroeven) tussen
de snaren van de piano
om de klank te veranderen.
De piano op deze manier
bewerken wordt 'prepared
piano' genoemd
Door
de aanwending van nieuwe
geluidsbronnen (synthesizer),
elektronische versterking
en manipulatie, de opkomst
van de computer en geavanceerde
software, zijn de mogelijkheden
vrijwel onbegrensd.
Ook
het gebruik van de menselijke
stem veranderde: vaak werd
de stem meer als een ínstrument'
(met zeer veelzijdige en
specifieke mogelijkheden
om klanken voort te brengen)
aangewend dan als de geijkte
zangstem. Voor sommige
vocale composities werd
de 'Sprechstimme', die het
midden houdt tussen zingen
en spreken, voorgeschreven.
Dynamiek
en vorm
De twee muzikale elementen die in de 20e eeuw
niet drastisch veranderden,
zijn dynamiek en vorm. De
20e eeuwse componisten hebben
de neiging extreme dynamische
contrasten te vermijden
(dit in tegenstelling tot
hun romantische collega's).
Vrij
klankidioom
Waar
Debussy het akkoord verzelfstandigde
en Schönberg en zijn leerlingen
de enkele toon, gaat Edgar
Varèse
(1883-1965) verder. Hij
verbrak de traditionele
band tussen melodie, harmonie
en ritmiek op radicale wijze.
Bij Varèse hebben tonen,
akkoorden en ritmische patronen
een volkomen autonome betekenis.
Hij schiep op die manier
een klankenidioom dat geheel
'vrij' is.
|