|
|
|
|
|
|
|
|
vroege barok |
rococo |
|
|
| Componisten | Schilders | Schrijvers | Architectuur |
| Monteverdi Vivaldi Rameau Couperin Lully Telemann J.S. Bach Händel |
Rubens Rembrandt kenmerken: clair obscur oudheid |
Molière Racine |
gebogen lijnen veel versieringen clair obscur Versailles Lodewijk XIV |
De 16e en 17e eeuw zijn eeuwen waarin er in
Europa veel veranderde: de ontdekkingsreizen, herontdekking van de kunst
en wetenschap van de oude Grieken en Romeinen. De bouwkunst van deze twee
volkeren wordt mode. De rooms-katholieke kerk krijgt een scheuring te
verwerken: het protestantisme ontstaat. De mensen worden zelfbewuster en
gaan zich individualistischer gedragen. De eigen taal wordt steeds
belangrijker (literatuur, muziek). Het is een periode waarin er veel
oorlogen zijn: ruzie om godsdienst, erfenissen en landjepik.
In de Renaissance worden de regels van de kunst, dus ook de muziek vastgelegd. De muziek is nog vooral vocaal en bestemd voor de kerk. Het is polyfoon: meerstemmig, meerdere melodieën en/of teksten door elkaar en geen begeleiding door instrumenten. Aan het eind van een stijlperiode raken creatieve geesten uitgekeken op een bepaalde stijl en zij gaan experimenteren met nieuwe vormen. Zo is ook de barokmuziek ontstaan: geleidelijk vanuit de al bestaande muziek. Belangrijk voor de barok waren de volgende vormen:
Tijdens de barok ontstaan:
het oratorium
de cantate
het concerto grosso
de suite
de sonate
de fuga
De uitvoerenden:
De orkesten waren nog klein, ongeveer 20 leden: strijkers, hobo, fagot en clavecimbel. De bespeler van het clavecimbel was meestal tegelijkertijd dirigent en zat te spelen/dirigeren. Door de toenemende populariteit van de opera werden de orkesten groter (pauken, houtblazers en koper).
Rond 1550 ontstond de viool. Altviool en cello volgden. De viool werd oorspronkelijk een ordinair instrument gevonden en heeft het gered dankzij zijn populariteit in Frankrijk.
De clavecimbel werd vaak gebruikt voor het basso continuo (of genummerde bas). De functie hiervan was het steunen van de hoofdmelodie en soms het samenbinden van de diverse delen van een stuk. Het werd steeds herhaald en was bepalend voor het tempo, ritme.
Veel stukken zijn geschreven voor de clavecimbel. Dit instrument heeft echter een grote beperking: je kunt een toon niet laten naklinken. Om dit op te vangen versierde men de muziek o.a. met trillers.
Versieringen kwamen ook veel voor in de aria's in opera's. De solisten
konden hun technisch kunnen hier tonen.
Internet-pagina's
over barok