|
De
staat in de 17de eeuw is nog steeds een standenmaatschappij,
waarbij koning (absolutisme) en adel de eerste stand zijn, de
clerus (geestelijken) de tweede stand, burgers en boeren vormen
de derde stand.
Deze
ordening is alleen door macht (leger) te handhaven, omdat de
burgers in de steden door de opbloei van de wereldhandel in
toenemende mate rijker en steeds beter opgeleid, dus mondiger
worden.
De
groeiende welstand van de burgerij is één van de oorzaken van
het tot bloei komen van een openbaar theater (toneel, opera) en
concertleven in de steden, naast het al eeuwen bestaande
muziekleven aan kerken en hoven.
De
Barok wordt gekenmerkt door een voorkeur voor pracht en praal,
monumententale bouwwerken, met rijke, vaak zeer overdadige
versieringen.
In
de muziek zien we dat bijvoorbeeld in de aankleding en
uitvoeringspraktijk van de opera. De
kunstenaar uit de Barok geeft wel uiting aan persoonlijke
gevoelens en emoties, maar doet dat op een gestileerde
manier volgens regels en conventies.
De wereld lijkt een theater met acteurs, ceremoniemeesters
en muziek: pruiken, gekunstelde aanspreek- en omgangsvormen
vooral aan de hoven, in de opera zijn castraten dé sterren. |

|