|
|
| stijlkenmerken: |
| toonhoogte: |
-
De melodiebouw wordt gekenmerkt door veel sequensmatige
motiefherhalingen.
Zo kan een voortdurend voortgaande melodische lijn
ontstaan: voortspinningsmelodiek.
-
De melodie wordt bij de uitvoering versierd. Vaak staan bij noten
versieringstekens, maar in veel gevallen mag de uitvoerder zelf versieringen toevoegen, maar volgens allerlei vaste regels en
voorschriften.
-
De toonsoorten zijn majeur en mineur geworden mede door invloed van
het basso continuo. De kerktoonsoorten spelen geen rol meer van
betekenis.
|
| toonduur: |
- De muziek krijgt een duidelijke
maatindeling en het ritme kan daarbij een sterk motorisch
karakter krijgen.
- Daartegenover is vaak sprake van tempo rubato,
waarbij de uitvoerder naar eigen smaak verbredingen en
versnellingen toepast, wat niet is genoteerd.
|
| dynamiek: |
-
Dynamiek wordt bepaald door terrassendynamiek of echodynamiek. Crescendo en decrescendo komt zeer beperkt voor.
|
| uitvoeringspraktijk: |
-
Affecten zijn gevoelens die men door middel van muziek tot uitdrukking
wil brengen. Deze kunnen van invloed zijn op de structuur van een werk.
De affecten zijn kwaadheid/ razernij,
vreugde, vurige liefde, dodelijke droefheid, rust/vertrouwen.
|
|