Inleiding Middeleeuwen Renaissance Barok Klassiek Romantiek XXste eeuw  

 
Algemeen
Vormen en genres
Stijlkenmerken
Oefenen
Quiz

 

Stijlkenmerken

Stemvoering
Overwegend homofoon

Toonstelsel
Klassieke toonsoorten (majeur/ mineur)

Toonhoogte

Kenmerkend is een strakke periodisering van de melodische structuur: de muziek bestaat uit een duidelijk geheel van muzikale (vol)zinnen, die elk weer bestaan uit voor- en nazinnen. De periodes zijn meestal regelmatig verdeeld in zinnen van vier of acht maten enz. 

Drieklankmotieven spelen in de structuur van de melodie een belangrijke rol. Deze en andere motieven worden verwerkt door technieken als contrast, voortspinnen en ontwikkeling. Drieklanken en toonladderfiguren zijn belangrijk in instrumentaal passagespel. 

Typerend voor de compositietechniek zijn modulaties naar de dominant-toonsoort of van mineur naar de majeur-parallel. 

In de begeleiding spelen gebroken drieklanken een belangrijke rol: albertijnse bas

Cadenzen in de betekenis van opeenvolgingen van accoorden, met name aan het slot van een muziekwerk, zijn relatief eenvoudig en bestaan uit de accoorden op de eerste, vierde en vijfde trap van de toonladder: I, IV en V. In C majeur gaat dat om het C, het F en het G accoord.

Ritme
Over het algemeen enkelvoudige maatsoorten (2/4, 3/4) en een gelijkmatig ritme.

Structuur
Heldere en evenwichtige bouw met duidelijk onderscheiden delen. Motivische doorwerking in plaats van contrapuntische doorwerking.

Overige muzikale middelen
Contrastwerking is in de 18de eeuw een belangrijk muzikaal middel. Vergeleken met de mogelijkheden in latere muziek is de contrastwerking beperkt van omvang, maar deze gematigdheid past goed bij het ideaal van de tijd. 
Zo is de meerstemmige schrijfwijze sterk homofoon, maar zorgt polyfonie voor een zekere afwisseling. Kenmerkend zijn passages met unisonospel. 
Ook dynamische verschillen zijn beperkt, maar crescendo en decrescendo zijn belangrijk en het sforzando (plotselinge dynamische accenten) wordt veel toegepast.