| Inleiding | Middeleeuwen | Renaissance | Barok | Klassiek | Romantiek | XXste eeuw |
-Weense Klassieken (1750-1820)- |
|||||||||||
|
StijlkenmerkenStemvoering Toonstelsel Toonhoogte Kenmerkend is een strakke periodisering van de melodische structuur: de muziek bestaat uit een duidelijk geheel van muzikale (vol)zinnen, die elk weer bestaan uit voor- en nazinnen. De periodes zijn meestal regelmatig verdeeld in zinnen van vier of acht maten enz.Drieklankmotieven spelen in de structuur van de melodie een belangrijke rol. Deze en andere motieven worden verwerkt door technieken als contrast, voortspinnen en ontwikkeling. Drieklanken en toonladderfiguren zijn belangrijk in instrumentaal passagespel. Typerend voor de compositietechniek zijn modulaties naar de dominant-toonsoort of van mineur naar de majeur-parallel. In de begeleiding spelen gebroken drieklanken een belangrijke rol: albertijnse bas. Cadenzen in de betekenis van opeenvolgingen van accoorden, met name aan het slot van een muziekwerk, zijn relatief eenvoudig en bestaan uit de accoorden op de eerste, vierde en vijfde trap van de toonladder: I, IV en V. In C majeur gaat dat om het C, het F en het G accoord. Ritme Structuur Overige muzikale middelen |
||||||||||