| Inleiding | Middeleeuwen | Renaissance | Barok | Klassiek | Romantiek | XXste eeuw |
-Middeleeuwen- |
|||||||||||
|
StijlkenmerkenStemvoering
Toonomvang Toonstelsel Melodievorming (toonhoogte) Ritmiek (toonduur) We spreken van modaal ritme als de klassieke versvoeten als jambe, dactylus enz. dienen als ritmische basis. De maatvoering is voornamelijk driedelig, pas in de 14e eeuw (Ars Nova) wordt de tweedelige maatsoort naast de driedelige gebruikt. Ook laat men vanaf die tijd steeds meer de versvoeten los als basis voor het muzikale ritme. Tevens uitbouw van het ritmisch systeem met kleinere notenwaarden. Harmonie (samenklank) Bij een orgelpunt klinkt alleen de grondtoon, bij een bourdon klinken de grondtoon en kwint samen. De melodieën zijn in principe éénstemmig, maar kunnen improviserend worden omspeeld. Ook kan op een vrije manier met de melodie van de zang meegespeeld worden (heterofonie). De kwart en de kwint zijn de belangrijkste intervallen. Er wordt nog sterk in horizontale melodielijnen gedacht (lineaire polyfonie). Vanaf de Ars Nova krijgt de verticale samenklank meer nadruk. Ook worden de terts en de sext als interval steeds vaker gebruikt. Genres en vormen
|