|
Franco-Vlaamse school
De Bourgondische stijl
Het Bourgondische hof werd het centrum van de nieuwe
muziek (ars nova).
Gesteund door hertog Filips de Goede (1419-1467) konden kunstenaars en
musici zich ontplooien.
|

|

Filips de Goede
|
Het hertogdom Bourgondië omvatte het
noordoosten van Frankrijk en de Nederlanden. De artistieke
bloeiperiode in het Bourgondische rijk begon vanaf de 2e helft van de
14e eeuw en omvatte het grootste gedeelte van de 15e eeuw. Omdat de
werkomstandigheden en financiële middelen er zeer gunstig waren,
traden componisten uit de Nederlanden. Engeland en Italië graag in
dienst van het Bourgondische hof. Zij werden aangesteld om
amusementsmuziek (chansons, dansmuziek) en kerkmuziek (motet en mis)
te schrijven. De thematiek van de chansons sloot vaak nog aan bij de
Middeleeuwse traditie van de hoofse liefde.
Componisten: Giles Binchois (ca.
1400-1460) en Guillaume Dufay (ca. 1400-1474).
Kenmerken van de Bourgondische stijl:
- gebruik van tertsen en sexten
- gebruik van sext-akkoorden (fauxbourdon)
- incidenteel gebruik van imitatietechnieken
- de bovenstem wordt de belangrijkste partij (melodie)
- driestemmig polyfoon, later vierstemmig
- vocale composities hadden één tekst in één taal
De Bourgondische stijl wist de muziek
uit de late Middeleeuwen te verbinden met de Renaissance en was een
inspiratie voor de volgende generatie Franco-Vlaamse componisten.
Terwijl voor de schilderkunst de Renaissance al begonnen was kwam dit
voor de muziek dus wat later. Vanaf 1450 wanneer de
Franco-Vlaamse stijl tot bloei komt begint de Renaissance pas echt
voor de muziek.
De Franco-Vlaamse stijl
Een aantal vooraanstaande componisten uit de Zuidelijke
Nederlanden en Noord-Frankrijk ontwikkelde tussen ongeveer 1450 en
1550 een invloedrijke, sterk internationaal georiënteerde stijl. Deze
Franco-Vlaamse school omvatte drie generaties componisten. Deze
componisten werkten in alle delen van Europa en vooral aan de
Italiaanse hoven (in de roman
'Het motet voor de kardinaal' van Theun de Vries wordt geschreven over
de migratie van Vlaamse musici en in het bijzonder Josquin
Deprez).
Ze zetten de vernieuwingen van de Bourgondiërs krachtig voort en dit
leidt uiteindelijk tot de Gouden Eeuw van de polyfonie.
Componisten: Johannes Ockeghem
(ca.
1420-1497), Josquin Deprez (ca. 1440-1521),
Orlando di Lasso (ca.
1532-1594)
Kenmerken van de Franco-Vlaamse
school:
| - |
imitatietechnieken
(een motief uit de ene stem wordt overgenomen door een andere). Vormen van imitatie zijn de canon, vergroting (waarde van elke
noot wordt verlengd), verkleining
(waarde van elke noot wordt verkort) en de kreeft (melodie
wordt van achter naar voren
gespeeld). |
| - |
doorimitatie (een motief wordt
in alle andere stemmen herhaald) |
| - |
drieklanken in de grondligging
werden als bouwstenen gebruikt |
| - |
gelijkwaardigheid van alle stemmen.
Cantus firmus kan in alle stemmen verschijnen. |
| - |
polyfone delen worden met homofone delen
afgewisseld |
| - |
vierstemmig polyfone werken was de norm,
vijf-en zesstemmig kwamen ook veel voor |
| - |
componisten hadden sterke voorkeur voor a-capella
koorzang al kwam het regelmatig voor dat
instrumenten de stemmen aanvulden |
| - |
de majeur-mineur tonaliteit neemt toe
(Nog steeds spreken we van kerktoonsoorten ofwel
modi uit de Middeleeuwen, maar door chromatische veranderingen (bes, fis, es,
cis) gaat de toonsoort in feite steeds meer als majeur en mineur klinken.) |
|