Geestelijke muziek
Katholieke kerkmuziek
Alle componisten uit de Renaissance schreven geestelijke muziek.
Het grootste deel van hun repertoire bestond daaruit. De mis en vooral
het motet waren de meest gebruikte genres binnen de kaholieke
kerkmuziek. Door de dichte stemmenweefsels van soms wel vijf of zes
vocale partijen ontstond een volle klank.
De contrareformatie was een reactie op de
reformatie en bedoeld om misstanden in de kerk een halt toe te roepen. Tijdens het Concilie van Trente (1545-1563)
overwogen de
kerkvaders alle polyfonie uit de liturgie te bannen. Dit omdat de dichte
stemmenweefsels het onmogelijk maakten om de religieuse tekst te verstaan en
begrijpen lukt dan helemaal al niet.
Ondanks de pleidooien meerstemmige muziek in de kerk te verbieden was de
uitkomst van het concilie toch positief maar aan een aantal voorwaarden moest
wel worden voldaan:
- een duidelijk verstaanbare tekst
- terughoudendheid in expressie
- geen wereldlijke cantus firmus in
de missen
| Giovanni
Pierluigi da Palestrina
In de ogen van het concilie was de muziek van
Palestrina het voorbeeld van hoe meerstemmige katholieke muziek moest
klinken. Zijn stijl heeft lange tijd als voorbeeld gediend voor de
contrapuntische schrijfwijze.
Palestrina was lid van een groep
componisten die in de 16e eeuw in de Pauselijke Kapel in Rome werkzaam
was.
Zijn muziek bundelt alle technieken van de polyfonie. Invloeden van de
Franco-Vlaamse school zijn onmiskenbaar aanwezig.
Hij heeft het
grootste deel van zijn leven in de kerken van Rome doorgebracht (hij
was in dienst van 11 pausen!).
Zijn stijl wordt gekenmerkt door:
- overwegend geestelijke muziek (mis
en motet)
- a capella stijl (in de Sixtijnse
kapel werden geen instrumenten gebruikt)
- teruggrijpen op bij voorkeur het
Gregoriaans
- rustig en vloeiend ritme
|

Palestrina geeft zijn muziek aan
Paus Julius III
|
|
Agnus Dei uit Missa Papae Marcelli
- Palestrina
|
|
Protestantse kerkmuziek
De Reformatie begon in 1517, toen Maarten Luther zijn beroemde 95
stellingen op de deur van de slotkapel in Wittenberg spijkerde. Hoewel
de misstanden in de kerk al veel langer bestonden bepaalde deze
aanklacht het begin van de Reformatie en werd de kerk gespleten in een
katholiek en een protestants deel.
Maarten Luther, was behalve theoloog
ook musicus. Ook hij vond (met het concilie van Trente) dat kerkmuziek
soms zo ingewikkeld was dat ze de aandacht afleidde van de tekst. Ook
hij stelde een vereenvoudiging voor. Alleen deze vereenvoudiging werd
veel fanatieker gerealiseerd dan wat het concilie (uiteindelijk na 20
jaar praten) voor elkaar kreeg.
De eerste verandering was de
vertaling van de liturgie in de volkstaal (bij Luther dus in het
Duits).
Tevens werden middeleeuwse gregoriaanse en wereldlijke melodieën aangepast aan de toenmalige tijd en van nieuwe
teksten voorzien. De melodieën werden metrischer en teksten werden
opgemaakt in een strofische vorm (ze begonnen meer op dichtversjes te
lijken).
Deze melodieën, die unisono, gezongen werden noemen we koralen.
Het orgel kreeg een belangrijke plaats in de Lutherse kerk.
Wanneer de
melodie van een wereldlijk lied van een nieuwe tekst
wordt voorzien noem je dat een
contrafact. Een dergelijke aanpassing van
wereldlijke liederen en wereldlijke polyfone composities voor
kerkelijk gebruik was in de 16e eeuw heel gewoon.
Dit verschijnsel komt in de hele
westerse muziekgeschiedenis voor. |
Later werden de
koraalmelodieën polyfoon gezet (meestal vierstemmig), omdat
protestantse componisten het koraal in omvangrijke koorwerken (zoals
de cantate) wilden verwerken. Zo'n polyfoon koraal kon dan niet meer
door de kerkgemeenshap meegezongen worden, daar was een geoefend koor
voor nodig. Wanneer het koor uitgezongen was mocht de gemeenschap
dezelfde melodie alsnog zingen maar dan unisono uiteraard.
Zo werd het koraal een belangrijke eenheidsscheppende factor in de
protestantse kerkmuziek van de Barokperiode. Zo'n 100 jaar later zou
J.S. Bach de koraalcantate naar een hoogtepunt voeren.

Preek van Maarten Luther
|