| Inleiding | Middeleeuwen | Renaissance | Barok | Klassiek | Romantiek | XXste eeuw |
-Renaissance (1400-1600)- |
||||||||||||||||||
|
MeerstemmigheidMeerstemmigheid in de renaissance wordt bepaald door een afwisseling van polyfonie en homofonie. We noemen muziek polyfoon, wanneer er sprake is van meerdere zelfstandige stemmen: meerdere verschillende melodielijnen klinken tegelijk. Bij homofonie gaan de stemmen min of meer ritmisch gelijk. De bovenstem heeft de melodie de onderstem de bas en de andere stemmen zijn harmonische vulstemmen. Kenmerkend voor meerstemmigheid in de Middeleeuwen is dat verschillende melodische lijnen samengevoegd worden tot een compositie en kleine aanpassingen ervoor zorgen dat het resultaat goed klinkt. Samenklanken worden sterk bepaald door kwart en kwint. In de renaissance worden de stemmen steeds meer ‘tegelijk’ gecomponeerd. De klank wordt voller, men gaat denken in akkoorden/ drieklanken, dus worden de terts en sext belangrijker in de samenklank. Componisten gebruikten drieklanken als bouwstenen voor hun muziek. Het motet is het belangrijkste genre van de geestelijke muziek in de Renaissance. De mis is ook nog steeds een belangrijk genre. Vanaf de 16e eeuw wordt het madrigaal het belangrijkste wereldlijke genre vooral in Italië en later Engeland. Meerstemmigheid wordt bepaald door:
|
|||||||||||||||||