Hoofdstuk Lenzen.

 

Lees goed!! Geef overal de berekening bij, ook bij de meerkeuzevragen. Zonder berekening is het fout!! Succes!

1

2p

I.           Op het grensvlak van twee stoffen kunnen lichtstralen plotseling een andere richting krijgen.

II.         Een holle lens heeft een divergerende werking.

Welke stellingen zijn juist?

 

A.      alleen stelling I

B.      alleen stelling II

C.      beide stellingen

D.      geen van beide stellingen

 

2

2p

De volgende gegevens worden ons van een afbeelding verstrekt: hoogte negatief = 2cm; hoogte voorwerp = 2,67 m. Bereken de vergroting

  1. 0,0073
  2. 0,727
  3. 1,25
  4. 1,4
  5. 137,5
  6. Iets anders, namelijk:

 

3

4p

2p

 

2p

 

Op de hoofdas van een lens (f = 1,5 cm) staat een lichtpijl van 1,0 cm op 2,0 cm links van de lens.

a.       Teken op schaal 1:1 hoe het beeld wordt gevormd. (teken nauwkeurig!)

b.       Bepaal uit je tekening de vergroting.

(BONUS) Rechts van de lens, op 1,0 cm afstand van de lens en op 1,0 cm hoogte boven de hoofdas, ligt een punt P.

c.       Teken in de figuur die je bij vraag a hebt gemaakt, een lichtstraal die uit de top van de pijl vertrekt, op de lens valt en door punt P gaat.

 

4

 

2p

 

Er wordt een foto gemaakt van een paard in de wei. Het staat 10m van je af. Op de lens van je fototoestel staat S= 26 dpt. Op het negatief is het paard 12 mm groot. De afstand van de lens tot aan het negatief is 2,5 cm. Hoe groot is het paard in werkelijkheid?

 

5

 

2p

 

2p

2p

 

Een dia met afmetingen 36 mm bij 24 mm wordt met behulp van een lens geprojecteerd tot een beeld van 1,62 m bij 1,08 m.

a Bereken de vergroting.

De afstand van de dia tot de lens wordt kleiner gemaakt.

b Leg uit of het scherm nu van de projector af of naar de projector toe moet worden verschoven.

c Leg uit of hierdoor de vergroting afneemt of toe neemt.

 

6

 

2p

 


 

 

 

7

 

2p

 

8

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3p

 

1p

1p

1p

 

a.  Construeer het beeld. Neem hiervoor deze tekening precies over op je blad. (Tip: leg je antwoordenblad op het opgavenblad en trek het over!)

b.  Teken het beeld B

c.  Is het beeld vergroot of verkleind?

d.  Staat het beeld rechtop of omgekeerd?

 

 

 

Totaal: 30 punten. 3 punten bonus, cijfer = (aantal punten + 3) / 3.3