|
Elektrische energie Inleiding Alle elektrische apparaten werken op elektrische energie. Eigenlijk zet een apparaat elektrische energie om in een andere vorm van energie. Hoeveel energie een apparaat gebruikt hangt af van twee dingen: Het vermogen geeft aan hoe sterk een apparaat is. Hoe groter het vermogen, hoe sterker het apparaat is, en hoe meer energie het kost om het apparaat te laten werken. We korten het vermogen af met de letter P. Dit komt van het engelse woord Power. We meten het vermogen in Watt. Watt kort je af met de letter W. Het vermogen op het bovenstaande typeplaatje is 100 W. Hoe langer een apparaat aanstaat, hoe meer energie het kost. Elektrische energie kun je uitrekenen met de formule: Energie = vermogen x tijd E = P x t Alle letters op een rijtje. Leer deze snel, daar heb je veel gemak van!!!!
Energieomzetters Eerder is al gezegd: Alle apparaten zijn energieomzetters. De verhouding tussen de energie die nuttig gebruikt wordt en wordt opgenomen wordt het rendement genoemd. Je berekent het rendement als volgt:
De kunst is het in kaart brengen welke energieën meedoen, en dan te kiezen welke nou nuttig zijn. Denk daarbij altijd aan: Waarom zet ik het apparaat nou eigenlijk aan? Voorbeeld: een cirkelzaak. Opgenomen wordt elektrische energie. Hij geeft af, beweging, warmte en geluid. Het hout wordt niet sneller of beter doorgezaagd als de zaag meer geluid maakt, met andere woorden, het geluid is niet nuttig. Het zelfde geldt voor de warmte. Energiecentrale. Elektrische energie wordt opgewekt in een centrale. Eigenlijk is opgewekt een fout woord. Er zijn andere energievormen die worden omgezet in elkaar met als eindresultaat elektrische energie. We kennen onder andere de volgende energiesoorten:
In een conventionele elektriciteitscentrale wordt een brandstof verbrand. De warmte wordt benut om stoom te maken. De stoom blaast tegen een turbine. De turbine draait en met de draaiende beweging wordt in een dynamo elektrische energie gemaakt.
Dynamo Een dynamo werkt volgens het inductie-principe:
De transformator.
Met een transformator kun je de spanning omvormen. Een transformator bestaat uit twee spoelen die samen één kern delen. De ene spoel is de ingangsspoel, dit noemen we de primaire spoel. De uitgangkant noemen we de secundaire spoel. Door de primaire spoel loopt een wisselstroom. Daardoor wordt de spoel een elektromagneet. De kern vervoert het magnetisch veld rond. Omdat er een wisselstroom ingaat wordt het magnetisch veld ook wisselend. Dat betekent dat de noord- en zuidpool omdraaien in het zelfde ritme als de wisselstroom op en neer gaat.
Doordat er een wisselend magnetisch veld gaat door de tweede spoel wordt daarin ook weer via inductie een wisselspanning opgewekt. Natuurlijk hangt de uitgangsspanning af van de verhouding van het aantal wikkelingen van de primaire en de secundaire spoel. Als de primaire spoel 20 wikkelingen heeft en de secundaire 10, dan verlaagt de transformator de spanning met de helft. |
© Paul Wagemakers - 2005-2006 - bewerking Wouter Tinbergen