De gsm volgens Pijpers

 

Op het moment is het weer heel eenvoudig om aan mensen te zien of ze gezegend zijn met enige intelligentie, of niet. De handzame gsm scheidt voor ons de intelligentia en het plebs. Voor ons overbodig te vermelden, maar voor de verstandelijk minderbedeelden zal ik maar even duidelijk genoeg zijn: de gsm-bezitter is dat voorbeeld van afhankelijkheid en onzelfstandigheid en demonstreert telkens weer zijn onvermogen om verder dan tien minuten vooruit te denken. (Vooraf een kaartje bekijken? Iets afspreken? Hoeft niet, ik bel wel even. Een afspraak nakomen? Hoeft niet, ik bel wel even om te zeggen dat ik wat later kom.) Vooruitdenken wordt een vaardigheid uit de vorige eeuw.

En dan zwijg ik nog over die persoon van een bepaalde sexe, met een bepaalde haarkleur, die haar (m/v) gsm-melodie beantwoordt met de opmerking: “Goh, hoe wist je waar ik was?”!

 

Hebben de gsm’ers zoveel gespreksstof die het communicatiemiddel rechtvaardigt?

Wanneer ik, overigens geheel buiten mijn wil, een gsm-gesprek opvang, dan krijg ik de indruk van niet. De inhoud van een gsm-gesprek bevat altijd informatie van topografische aard, waarbij het steeds weer overduidelijk is dat de beller over geen enkele topografische kennis beschikt.

“Ja, ik ben nou ergens tussen Amsterdam en Den Bosch”.

“….”

“Nee, ik weet niet wanneer ik in Tilburg ben. Ik bel je wel als ik op het station sta”.

Maar veel verder dan het uitwisselen van plaats(on)bepalingen gaat een gesprek meestal niet.

 

Gebeld worden hééft natuurlijk wel iets: zie je wel, ze kennen me wel, ik heb echt wel vrienden. Om die reden zie je gsm’ers ook altijd eerst op het display kijken. Zij zien dan tot hun verdriet dat het telefoontje slechts van thuis komt, steken nonchalant het telefoontje weg en mompelen iets onverstaanbaars. Dat displaytje wordt trouwens tóch vaak geconsulteerd. Tevergeefs. Wéér geen boodschap.

 

 

 

 

 

Nou weten wij, volwassen erudieten, dat kinderen tot een jaar of 20 duidelijke voorbeelden van onzelfstandigheid zijn. En dus willen wij onze kinderen graag aan zo’n apparaat hebben. Een hondenriem, maar dan anders. Te allen tijde weten we onze kroost op te sporen, naar huis te commanderen of op een andere manier te controleren.

De ene ouder bewerkstelligt deze permanente surveillance door de gsm op een geschikt moment cadeau te doen. De andere ouder zal vloeken en tieren op het prullarium om zodoende ervoor te zorgen dat kindlief er zelf een aanschaft; hij beslist tenslotte zelf wel wat ze doet!

En nou maar hopen dat alles onder de 20 door mijn selecterend taalgebruik na regel één is afgehaakt.

 

 

Michel Pijpers

mpijpers@odulphus.nl