VVM-Nieuws

 

 


Nieuwsbrief van de Vereniging van Vlaamse moedertaaldidactici 14-4, december 2001

 

 

 


Secretariaat: p/a CBL-UIA

Universiteitsplein 1, B-2610 Wilrijk

 

Redactie: Optacom-b, Ten Doorn 6, B-1852 Beigem

Verantw. uitg.: %. Smolenaers, Kapelstraat 25, 2200 Herentals

 

 


In dit nummer:

 

·       In de eerste plaats kerst- en nieuwjaarswensen!

·       Contributie 2002: nu overschrijven.

·       LOPON²: drie netwerken in één.

·       LOSO staat voor samenwerking en uitwisseling open.

·       Taalregeling in het hoger onderwijs: van Artikel 74 naar Artikel 79.

·       Taalregeling in het hoger onderwijs: de VVM schrijft naar minister en commissieleden.

·       Basiscompetenties in de lerarenopleiding: taalvaardigheid niet oppervlakkig definiëren!

·       PON-advies basiscompetenties.

·       Reactie VLIR op de Beleidsevaluatie Lerarenopleiding.

·       Mariëtte Hoogeveen over samenvatten.

·       VVM-voorjaarsconferentie en ledenvergadering 2002: Lerarenopleidingen: taalbeleidsplan en startcompetenties.

·       HSN 16: weer in Gent.

·       Belangrijke websites.

 

*

 

 

In de eerste plaats: kerst- en nieuwjaarswensen!

Terug

 

Het voorbije jaar bracht stof te over in de moedertaaldidactische discussie. Vreemd nochtans: uit gesprekken met leraressen en leraren bleek vaak een verschuiving, van problemen die met de kern van het vak te maken hebben in de richting van wat eerder in de rand ervan te vinden is. Woorden als dyslexie, neveninstroom of leesachterstand waren daarbij steeds meer te horen. Tegelijk ‘rommelt’ het in de sfeer van de lerarenopleiding aan universiteit en hogeschool. Daar spitst de discussie zich toe op topics als BaMa, associatie en accreditatie, basis- en startcompetenties, het gebruik van de talen in het onderwijs. Er is duidelijk allerlei gaande.

 

Voor het komende jaar belooft dat wat. Het komende jaar brengt niet alleen een nieuwe munteenheid, het wordt er vast ook een van verder op tal van problemen toegespitste discussie. Toch moeten we op deze laatste dagen van 2001 in de eerste plaats leden en lezers een heilzame kerst- en oudejaarstijd toewensen en de mogelijkheid om - wellicht ondanks deze laatste nieuwsbrief van het aflopende jaar - wat afstand te nemen van wat hen beroepshalve beroert.

 

 

 


Contributie 2001: nu overschrijven!

Terug

Zolang we geen zekerheid hebben over Spiegel blijven we in de VVM bij één contributiebedrag: 7,50 euro. Schrijft u dat meteen over op rekening nr. 001-1499716-75 van de Vereniging van Vlaamse Moedertaaldidactici, Wilrijk.

 

 

 


LOPON²: drie netwerken in één

Terug

Op 7 december jl. zijn drie bestaande netwerken van lerarenopleiders voor het basisonderwijs tot één enkel netwerk samengevoegd: het Nederlandse Pabo-netwerk, het Vlaamse LOOKo-netwerk en het Netwerk NT2. De samenwerking tussen Pabo en LOOKo, die met Mieke Smits en Riet Jeurissen aan het roer, al een paar jaar intensief samenwerken, zien hun inspanningen in het overkoepelende netwerk bekroond.

 

LOPON² staat voor: Vlaams-Nederlandse Vereniging voor Lerarenopleiders Nederlands en Nederlands als tweede taal. Het verenigingsbestuur bestaat nu uit Mieke Smits, Theo Pullens, Hans Meijer, Jos van Gend, Sylvia Bacchini, Hilde Van den Bossche en Riet Jeurissen. Zij zullen de eerste stappen moeten zetten en invulling geven aan dit transnationale netwerk, dat van meet af aan de volle steun geniet van de Nederlandse Taalunie.

 

Naar aanleiding van de oprichting van LOPON²  verscheen bij de SLO een keurige 32 bladzijden dikke nieuwsbrief, waarin het nieuwe netwerk uitvoerig wordt voorgesteld. U kunt de nieuwsbrief gratis ontvangen en u op de mailing list laten zetten als u een mailtje stuurt naar het volgende adres: H.Paus@slo.nl

 

 

 


LOSO staat voor samenwerking en uitwisseling open

Terug

Op 18 november 2000 is op de HSN-conferentie in Gent het LOSO-netwerk voor lerarenopleiders voor het secundair onderwijs opgericht. Dat was uiteraard nog maar een begin. Er is sindsdien wat eerste informatie verstrekt, o.a. een adressenlijst van de aangeslotenen. Voor de verdere invulling wachten we nu op initiatief ‘vanuit de basis’. Het netwerk is er en staat voor samenwerking en uitwisseling open.

 

Er is in de wereld van de lerarenopleiding beslist voldoende gaande, ook op het gebied van het Nederlands. Misschien moeten we vanuit deze nieuwsbrief toch nog even het voortouw nemen, met een paar vragen. Hier gaan er dan een paar:

 

·       Wie deelt ons de namen en adressen (zo mogelijk ook e-mailadressen) van nog niet aangesloten collega’s mee?

·       Welke standpunten nemen de opleidingsdepartementen in de discussie omtrent het gebruik van de talen in het hoger onderwijs in?

·       Hoe zit het met de startcompetenties? Wie is daarmee bezig?

·       Welke opvatting huldigen de departementen in verband met de taalvaardigheid van in- en uitstromers?

·       Welke mogelijkheden zien de opleiders voor het LOSO-netwerk?

 

 

 

 


Taalregeling in het hoger onderwijs:

Van Artikel 74 naar Artikel 79

Terug

In de intenties tot de wetgeving op het taalgebruik in het universitair en hoger onderwijs in Vlaanderen is er sinds Vlaams volksvertegenwoordiger Ludo Sannen zijn voorstel tot decreet heeft ingediend, wel heel wat gebeurd. De VVM heeft naar aanleiding van de verspreiding van een concept-ontwerptekst tot decreet vanwege het onderwijsdepartement over de herstructurering van het hoger onderwijslandschap in Vlaanderen in een brief zijn gemotiveerde bezorgdheid overgemaakt aan de onderwijsminister en aan de leden van de onderwijscommissie van het Vlaamse Parlement.

 

Die betrof welbepaald uitzonderingsregel 4 bij artikel 74 van de Taalregeling binnen het hele concept-ontwerpdecreet. Daarbij werd gesteld dat in de opleidingen onderwijseenheden in beperkte gevallen in een andere taal gedoceerd kunnen worden dan het Nederlands door een expliciet gemotiveerde beslissing van het universiteitsbestuur. Uit de motivering moet de meerwaarde en de functionaliteit van een andere taal voor de opleiding blijken.

 

Dat was niet volkomen duidelijk en zou betrekking kunnen hebben op de totaliteit van het onderwijs. Dat zou aanleiding kunnen geven tot veelvuldig gebruik van het Engels in het reguliere onderwijscurriculum in de bestaande en in de nieuwe bachelor- en mastersopleidingen.

 

Op 20 november 2001 kwam dan de ontwerpversie van het structuurdecreet in omloop. Artikel 74 werd artikel 79. In uitzondering 4 werd nu aan de tekst toegevoegd: “Voor bacheloropleidingen mag het geheel van deze opleidingsonderdelen uitgedrukt in studiepunten niet meer dan 36 studiepunten bedragen. Voor het geheel van bachelors- en initiële mastersopleidingen van een associatie kan ten hoogste 20% van de opleidingen in het geheel in een andere taal worden aangeboden.”

 

Dat betekent een beperking tot ongeveer één vijfde van de mogelijkheid om anderstalig onderwijs te verstrekken enerzijds. Anderzijds houdt die toevoeging in dat het anderstalig onderwijs eveneens in de bacheloropleidingen mag worden georganiseerd. Dat is in de situatie van de bestaande decreten van 1991 en 1994 wel weer een verruiming van de mogelijkheid tot anderstalig onderwijs.

 

De VVM onthoudt zich op dit ogenblik van verdere actie over die nieuwe versie. Zij zal de publieke discussie over het structuurdecreet en de taalregeling die daarin vervat is, wel aandachtig blijven volgen en beslist ook de parlementaire debatten, die vanaf  februari 2002 worden verwacht.

 

Ghislain Duchâteau

(Zie ook de hierna volgende brief)

 

 

 

 


Taalregeling in het hoger onderwijs:

De VVM schrijft naar minister en commissieleden

Terug

Wilrijk, 6 november 2001

 

 

Aan Mevrouw de Minister van Onderwijs en Wetenschapsbeleid

Aan de Dames en Heren Volksvertegenwoordigers van de Onderwijscommissie van het Vlaamse Parlement

 

 

Voorwerp: Taalregeling Universitair en Hoger Onderwijs

 

 

 

Mevrouw de Minister,

Geachte Dames en Heren Volksvertegenwoordigers,

 

 

Met belangstelling én grote zorg heeft de Vereniging voor Vlaamse Moedertaaldidactici (VVM) kennis genomen van het concept-ontwerpdecreet van Mevrouw de Minister voor het universitair en hoger onderwijs, meer bepaald het hoofdstuk 9 Taalregeling met de artikels 73-74-75.

 

Afdeling 9.- Taalregeling 

Art. 73. De bestuurstaal in de hogescholen en universiteiten is het Nederlands. 

Art. 74. De onderwijstaal in de hogescholen en universiteiten is het Nederlands, behalve voor de advanced en niet-initiële masteropleidingen.  

In de opleidingen kunnen evenwel volgende onderwijs- en andere studieactiviteiten in een andere taal gedoceerd worden:
1° die welke een vreemde taal tot onderwerp hebben, in deze taal;
2° die met betrekking tot opleidingsprogramma's specifiek ten behoeve van buitenlandse studenten opgesteld;
3° onderwijseenheden die, met instemming van het universiteitsbestuur, worden gevolgd aan een andere instelling voor hoger onderwijs;
4° onderwijseenheden die in beperkte gevallen en door een expliciet gemotiveerde beslissing van het universiteitsbestuur in een andere taal dan het Nederlands worden gedoceerd; uit de motivering moet de meerwaarde en de functionaliteit van een andere taal voor de opleiding blijken. 

§ 2. De studenten hebben het recht over een in een vreemde taal gevolgd opleidingsonderdeel van een academische opleiding examen in het Nederlands af te leggen, met uitzondering van de onderwijsactiviteiten die een vreemde taal tot onderwerp hebben.  

Art. 75. Het instellingsbestuur bepaalt vrij de onderwijstaal in de advanced en niet-initiële masteropleidingen en in de onderwijs- en andere studieactiviteiten die als nascholing of bijscholing worden georganiseerd. Het instellingsbestuur stelt terzake een gedragscode op en legt deze vast in de onderwijs- en examenregeling.

 

De VVM kan vrede nemen met Artikelen 73 en 75. Met Artikel 74, dat vier (4) uitzonderingen opnoemt, ligt dat anders. Vooreerst is ons niet duidelijk of alleen een universiteitsbestuur de mogelijkheid krijgt om in een andere taal dan het Nederlands te doceren. Gelden de opgesomde uitzonderingen al of niet voor de hogescholen?

 

Het vierde uitzonderingsgeval baart ons echter grote zorgen. Als wij de tekst in zijn kernbetekenis dan toch goed interpreteren, moeten we constateren dat Art. 74. § 1. 4° de mogelijkheid openstelt om in het reguliere curriculum van de bestaande én van de komende bachelor- en masteropleidingen onderwijseenheden in een andere taal dan het Nederlands te doceren. Dat gaat veel verder dan het ontwerpdecreet van volksvertegenwoordiger L. Sannen (Stuk 530 (2000-2001) – Nr. 1).

 

Tijdens de hoorzitting in het Vlaamse Parlement van 16 mei 2001 hadden wij al de gelegenheid expliciet onze bezwaren tegen een dergelijke regeling te formuleren (Beknopt Verslag pp. 15-19).

 

Wij zijn zo vrij om nog eens op ons standpunt terug te komen: de voorgenomen vierde uitzondering leidt naar onze overtuiging voor de onderwijs- en studie-opdrachten van zowel docenten als studenten tot een bijzonder negatieve situatie:

 

1° Nederlandstalige docenten wordt de mogelijkheid geboden om aan Nederlandstalige studerenden in Vlaanderen cursussen te verstrekken en te doen studeren in een vreemde taal. Zowel vanuit de conceptualiserende als vanuit de communicatieve functie van de taal maakt dat het onderwijs en het onderwijsrendement fundamenteel problematisch.

 

2° Vanuit de gegeven concept-ontwerptekst kent de Vlaamse overheid een bijna onbeperkte beslissingsmacht toe aan het universiteitsbestuur (en/of hogeschoolbestuur), waarbij vooral opportunistische overwegingen ertoe zullen leiden in nagenoeg onbeperkte mate reguliere cursussen in het Engels te organiseren. We zien dat in Nederland in toenemende mate gebeuren.

 

3° De druk om te verengelsen zal zich meteen ook in het secundair onderwijs doen gevoelen, zodat wij daar vlug eenzelfde verengelsing ten nadele van het onderwijs in de moedertaal zullen moeten constateren.

 

Voor de Vlaamse studenten van vandaag en morgen betekent dat een drastische ingreep in en zelfs een aantasting van hun belangrijkste leef- en studie-instrument, hun moedertaal.

 

U moet begrijpen dat wij ons daar krachtdadig tegen willen verzetten. We verzoeken Mevrouw de Minister en de Dames en Heren Volksvertegenwoordigers daarom geen heilloze beslissingen te willen nemen en niet dan na een diepgaand debat én raadpleging van alle betrokkenen wijzigingen aan te brengen in de bestaande regeling met betrekking tot het taalgebruik aan universiteiten en hogescholen.

 

De Vlaamse moedertaaldidactici vragen u daarom met aandrang uitzondering 4° bij Art. 74 te schrappen en de volledige verantwoordelijkheid voor het taalgebruik in universitair en hoger onderwijs zoals dat nu het geval is bij de wetgever te laten én ervoor te zorgen dat die regeling gehandhaafd wordt. De decreten van 1991 en 1994 laten het hoger onderwijs voldoende ruimte om de academische contacten in de mate van het redelijke en het noodzakelijke in een andere taal te laten gebeuren. Ze garanderen echter vooral het niet te onderschatten belang van het Nederlands voor onze Nederlandstalige docenten en studenten.

 

Met bijzondere hoogachting,

 

Marc Smolenaers                                                                                Hugo De Jonghe

Secretaris                                                                                             Voorzitter

 

 

 


Basiscompetenties in de lerarenopleiding:

Taalvaardigheid niet oppervlakkig definiëren!

Terug

In oktober 2001 deelde de overheid de resultaten van haar beleidsevaluatie 2000-2001 aan de lerarenopleidingen mee. De basiscompetenties nemen daarin een centrale plaats in en daarvan maakt de taalvaardigheid van de studenten deel uit. Naar het oordeel van de VVM is daaraan echter een veel te oppervlakkige definitie verbonden. Dat was voor het VVM-bestuur aanleiding om er in een brief aan de minister en aan diverse onderwijsverantwoordelijken op departement, VLOR en DVO op te reageren. Van de brief ging tevens een kopie naar de pers.

 

 

Wilrijk, 8 november 2001

 

 

Aan Mevrouw Marleen Vanderpoorten

Minister van Onderwijs en Vorming

Consciencegebouw

Koning Albert II-laan 15

1210 Brussel

 

Voorwerp: basiscompetenties leraren

 

 

Geachte Heer,

 

In oktober jl. ontvingen de lerarenopleidingen de resultaten van de beleidsevaluatie (2000-2001) met de basiscompetenties als centraal thema. De bevindingen van de stuurgroep met vertalingen naar een concreet wijzigend beleid, worden op dit ogenblik door het opleidersveld nader besproken.

Als Vereniging van Vlaamse Moedertaaldidactici (VVM) voelden wij ons vooral aangesproken door punt 18.b ‘Bijzondere vaststellingen –Taal’. Uit het rapport lichten we even de vaststelling en de aanbeveling :

 

Algemeen is vastgesteld dat docenten heel veel klagen over de taalvaardigheid van hun studenten. Vermits de taal het meest primaire vehikel is van het onderwijs, is het falen op dat vlak meteen een zware handicap voor een leraar (...)

Luisterend naar de onderwijsinspectie die steunt op haar bevindingen in de doorlichtingen van het leerplichtonderwijs, is de algemene aanbeveling naar het hele onderwijs toe er echt werk van te maken de eisen inzake taalbeheersing veel scherper te stellen. Geen enkele school, geen enkel opleidingsinstituut, kan zich veroorloven in haar beleid de taalbeheersing door leerlingen, studenten, cursisten en docenten niet sterk op de voorgrond te plaatsen.

 

Wij kunnen deze reflecties grotendeels onderschrijven maar willen toch waarschuwen voor een al te éénzijdige benadering van taal, met name de formele correctheid. Als wij het willen hebben over de talige competenties van leraren moeten wij zeker ruimer en dieper kijken dan de beperkt aangegeven attitude (A10: gerichtheid op adequaat en correct taalgebruik en communicatie) in de basiscompetenties. Nu schuilt het gevaar erin dat er in de lerarenopleiding nagenoeg geen aandacht aan besteed wordt of dat het in feite verdwijnt onder de noemer agogische en communicatieve vaardigheden.

 

Het Platform Onderwijs Nederlands (PON) van de Nederlandse Taalunie formuleerde in het voorjaar nogmaals het belang van taalvaardigheid voor alle leraren in alle schoolvakken, leer- en vormingsdomeinen. In zijn notitie voor de Raad van Nederlandse Taal en Letteren kunnen wij het volgende lezen:

 

(…) Voor leraren in alle schoolvakken speelt taalvaardigheid op alle onderwijsniveaus een belangrijke rol, ongeacht of de leerlingen van autochtone of allochtone herkomst zijn.

Ten eerste is bevordering van de taalvaardigheid Nederlands een hoofdleerdoel bij het vak Nederlands in het basisonderwijs en het voortgezet/ secundair onderwijs.

Ten tweede is bevordering van de taalvaardigheid Nederlands een belangrijk leerdoel in alle leer- en ontwikkelingsdomeinen en schoolvakken: sociale vaardigheden, leren leren, werkelijkheidsonderricht, wiskunde, biologie, technische vakken enz.

Op de derde plaats wordt het leer- en schoolsucces van leerlingen in belangrijke mate mede bepaald door de talige en communicatieve vaardigheid van de leraren in tal van instructie- en schoolsituaties: lessen, opdrachten, overhoringen, toetsen, werkbladen en allerlei soorten teksten.

Een leerprobleem bij rekenen of biologie is vaak in eerste instantie een taalprobleem.

Ten slotte is een uitstekende taalvaardigheid van alle leraren wenselijk in tal van communicatieve situaties buiten de eigenlijke lessen: omgaan met de leerlingen, onderhouden van contacten met derden ( ouders, instanties), administratieve of bestuurlijke situaties. Taal- en communicatievaardigheid van leraren houdt daarbij ook in dat zij zich bewust zijn van cultureel bepaalde waarden en normen weerspiegeld in de taal.

Taalvaardigheid van alle leraren is bijgevolg van groot belang voor het realiseren van gelijke kansen. (…)

 

 

Zo omschreven stelt taalvaardigheid terecht hoge eisen, niet alleen aan de opleiders Nederlands maar aan alle lerarenopleiders. Willen wij echt dat de lerarenopleidingen de kwaliteit en de competentieontwikkeling van de taalvaardigheid van aanstaande leraren vergroten, dan zal men aan deze meerdimensionale component niet alleen meer tijd en aandacht moeten besteden maar zal men ook duidelijke structurele voorwaarden voor de aanpak van taalcompetenties (startvoorwaarde, taalbeleidsplan, aanpassing basiscompetenties…) moeten scheppen. De VVM meent dat dit uitdrukkelijk in de voorgestelde ‘startcompetenties’ en dus in de eindtermen van alle lerarenopleidingen voor alle onderwijsniveaus moet worden opgenomen.

 

De VVM is als direct betrokkene en aanspreekpunt voor leraren Nederlands in de lerarenopleidingen -alle niveaus en over de netten heen - graag bereid om dit debat over ‘Taalvaardigheid in de lerarenopleidingen’ mee te voeren en zo een bijdrage te leveren aan de kwaliteitsbevordering van toekomstige onderwijsgevenden.

 

Hugo de Jonghe

VVM-voorzitter

 

 

 


PON-advies basiscompetenties

Terug

Ook het Platform Onderwijs Nederlands (PON) van de Nederlandse Taalunie bracht een advies uit in verband met de baasiscompetenties in de lerarenopleidingen, en meer bepaald met de taalvaardigheid daarin. Ook die tekst willen we graag onder de aandacht brengen.

 

 

Het Platform Onderwijs Nederlands (PON) wil de aandacht van het Comité van Ministers vragen voor het belang van taalvaardigheid voor alle leraren in alle schoolvakken en leer- en vormingsdomeinen. In het bijzonder vraagt de Raad de ministers van onderwijs in de beide landen om meer geschikte structurele voorwaarden voor de aanpak van taalvaardigheid in de lerarenopleidingen te scheppen. De vraag is bijzonder actueel voor de lerarenopleiding in Vlaanderen omdat het Vlaamse Departement Onderwijs in opdracht van de Minister van Onderwijs in juni 2001 de laatste hand legt aan een evaluatie van het Vlaamse overheidsbeleid inzake lerarenopleiding met bijzondere aandacht voor de basiscompetenties van aanstaande leraren.

 

Voor leraren in alle schoolvakken speelt taalvaardigheid op alle onderwijsniveaus een belangrijke rol, ongeacht of de leerlingen van autochtone of allochtone herkomst zijn.

Ten eerste is bevordering van de taalvaardigheid Nederlands een hoofdleerdoel bij het vak Nederlands in het basisonderwijs en het voortgezet/secundair onderwijs.

Ten tweede is bevordering van de taalvaardigheid Nederlands een belangrijk leerdoel in alle leer- en ontwikkelingsdomeinen en schoolvakken: sociale vaardigheden, leren leren, werkelijkheidsonderricht, wiskunde, biologie, technische vakken enz.

Op de derde plaats wordt het leer- en schoolsucces van leerlingen in belangrijke mate mede bepaald door de talige en communicatieve vaardigheid van de leraren in tal van instructie- en schoolsituaties: lessen, opdrachten, overhoringen, toetsen, werkbladen en allerlei soorten teksten. Een leerprobleem bij rekenen of biologie is vaak in eerste instantie een taalprobleem.

Ten slotte is een uitstekende taalvaardigheid van alle leraren wenselijk in tal van communicatieve situaties buiten de eigenlijke lessen: omgaan met de leerlingen, onderhouden van contacten met derden (ouders, instanties), administratieve of bestuurlijke situaties.. Taal- en communicatievaardigheid van leraren houdt daarbij ook in dat zij zich bewust zijn van cultureel bepaalde waarden en normen weerspiegeld in de taal.

Taalvaardigheid van alle leraren is bijgevolg van groot belang voor het realiseren van gelijke kansen.

 

Rond deze vier dimensies van taalvaardigheid is in de afgelopen jaren in Nederland en Vlaanderen heel wat onderzoeks- en ontwikkelingswerk verricht, mede ondersteund door of op initiatief van de Nederlandse Taalunie.

 

De Raad meent dat alle lerarenopleidingen, hogescholen en universiteiten, voldoende tijd en aandacht dienen te wijden aan deze component in de competentieontwikkeling van alle aanstaande leraren – niet alleen de leraren Nederlands!    in Vlaanderen en in Nederland. Aan alle lerarenopleiders, niet alleen de opleiders Nederlands, stelt dit in principe hoge eisen.. De Raad vestigt de aandacht van het Comité van Ministers erop dat de voorwaarden voor de lerarenopleidingen om aan die competentieontwikkeling te kunnen werken op dit ogenblik gebrekkig tot onbestaande zijn. Wat van de opleiders Nederlands in de lerarenopleidingen verwacht wordt voor de ontwikkeling van de verschillende genoemde dimensies is meestal erg onrealistisch en bovendien te zeer beperkt tot formele correctheid (b.v. spelling) in alleen de eerste dimensie.

 

In Nederland zijn in de Startbekwaamheden voor leraren primair onderwijs en voortgezet onderwijs eisen voor eigen vaardigheden opgenomen. Maar in de praktijk is de mate waarin en de aandacht die aan de eigen vaardigheden wordt besteed per opleiding zeer verschillend. Over het algemeen ervaren de lerarenopleiders de kwaliteit en de aandacht voor eigen taalvaardigheid van aanstaande leraren als te gering, met name geldt dit voor de leraren primair onderwijs.

 

In Vlaanderen zijn de basiscompetenties van leraren basis- en secundair onderwijs beschreven in een Besluit van de Vlaamse Regering uit 1999. Daarin ontbreken de competenties inzake taalvaardigheid echter vrijwel geheel, en wordt er ten hoogste één enkele attitude (A10 “gerichtheid op adequaat en correct taalgebruik en communicatie”) genoemd. De lerarenopleiders ervaren de kwaliteit en de aandacht voor eigen taalvaardigheid van aanstaande leraren in basis- en secundair onderwijs evenals de mogelijkheden om daar in de opleidingen aan te werken als te gering.

 

Het PON zal de plaats van taalvaardigheid in de lerarenopleidingen in Nederland en Vlaanderen kritisch blijven volgen. Indien het Comité van Ministers dit wenselijk acht, is het PON vanzelfsprekend bereid om de problematiek nader te concretiseren en na te denken over mogelijke oplossingen.

 

 

 


uit: Reactie VLIR op de Beleidsevaluatie Lerarenopleiding[1]

Studiedag 17 november 2001

 

 

Reactie VLIR op de Beleidsevaluatie Lerarenopleiding

Studiedag 17 november 2001

Terug

Het Rapport doet een bijzondere vaststelling i.v.m. de taalvaardigheid van de studenten, en van de lerarenopleiders zelf. De VLIR heeft daar geen uitspraken over gedaan, maar persoonlijk wil ik NVDR: de verslaggever) daar twee opmerkingen bij maken.

Ten eerste heeft het Rapport groot gelijk om daar de aandacht op te vestigen.

Ten tweede beperkt de Beleidsevaluatie de aandacht voor taal te zeer tot de eigen taalvaardigheid van studenten (en docenten) in het Standaardnederlands, en heeft ze geen aandacht voor het feit dat taal zowel instrument (voor onderwijzen, leren, kennis construeren, toetsen…) als leerdoel (algemene en vakbetrokken taalvaardigheid) bij alle schoolvakken is, en dus een van de meest fundamentele competenties van elke leraar betreft. Daarom zou dit in de basis- of startcompetenties opgenomen moeten worden. De Gemeenschapsinspectie, toch ook de overheid, heeft daar in haar recente Verslag over de toestand van het onderwijs (Onderwijsspiegel 1999-2000, p. 67-70) onder de noemer taalbeleid heel zinvolle dingen over gezegd.

 

 

 


Mariëtte Hoogeveen over samenvatten

Terug

In het eerder al genoemde speciale nummer van de LOPON²-nieuwsbrief staat een goed artikel van Mariëtte Hoogeveen over een SLO-project in verband met samenvatten: ‘Minder is meer. Samenvatten in verschillende contexten van het taalonderwijs’ (blz. 25-30). Daarin wordt de samenvatvaardigheid juist als een zeer complexe vaardigheid benaderd, die in het onderwijs jammer genoeg onvoldoende getraind wordt, ook al wordt er voortdurend een beroep op gedaan. ‘Samenvatten, zo zegt Mariëtte Hoogeveen, is een vaardigheid die de taalgebruiker onherroepelijk op metaniveau plaatst. Het is een sterk reflectieve taal-denkactiviteit omdat er sprake is van het afstand nemen van het taalgebruik van een ander, van de informatie in de brontekst, om die informatie te bewerken tot een nieuw, eigen product. Om informatie uit een brontekst te kunnen transformeren tot iets anders moet er een groot beroep worden gedaan op complexe cognitieve operaties (strategieën): afstand nemen, relaties leggen, structuur ontdekken, ordenen en herordenen, afleiden en herleiden, tot de kern terugbrengen, weergeven op een hoger niveau van abstractie.’ Het SLO-project heeft betrekking op het basisonderwijs en werkt binnen groepen 1-3 van mondelinge contexten; in groepen 4-6 zijn schriftelijke contexten aan de orde; in de afsluitende groepen 7-8 betreft het samenvatten de context van Taal bij andere vakken. Het project is gebaseerd op Brown en Day, Macrorules foor Summarizing Texts. The Development of Expertise, gepubliceerd in het Journal of verbal learning and verbal behavior, 22 (1983).

 

 

 


VVM-voorjaarsconferentie en ledenvergadering 2002:

Lerarenopleidingen: taalbeleidsplan en startcompetenties

Terug

Het zou wel eens kunnen dat de discussie omtrent de basiscompetenties zich geleidelijk naar het probleem van de startcompetenties verlegt. Welke eisen kunnen we aan de instroom van de lerarenopleidingen stellen en wat voor taalbeleidsplan zullen de opleidingen dan opstellen om ervoor te zorgen dat hun uitstroom de nodige competenties opgebouwd heeft om voor een kwalitatief goed onderwijs in te kunnen staan? Dat zijn vragen die ons de komende tijd goed bezig zullen houden.

 

Op de voorjaarsconferentie van vrijdag 22 maart 2002 willen we ons daar samen over beraden. We denken aan het volgende, nog niet tot in de details vastgelegd programma:

 

09.30       Receptie en koffie

10.00       Algemene inleiding: taalbeleid

11.00       Een taalbeleidsplan voor de lerarenopleiding

12.00       Lunch

 

13.00       Gedachtewisseling in twee groepen: basisonderwijs en secundair onderwijs

14.30       Koffie

14.45       Plenum en besluiten

 

15.30       VVM-ledenvergadering

16.00       Drankje

 

 

 

 


HSN 16: weer in Gent

Terug

Het staat nu vrijwel vast dat de volgende HSN-conferentie - de zestiende inmiddels! - weer in Gent plaats zal vinden. Er komt een andere, ruime en geschikte locatie, dicht bij het station. Als data zijn voorlopig vrijdag 16 en zaterdag 17 november geprikt. Zodra een en ander vaststaat, geven we daar verder bericht van.

 

 

 

Belangrijke websites

Terug

Graag verwijzen we voor informatie over het onderwijs Nederlands naar de volgende websites:

http://users.pandora.be/gvr/nedvak.htm

Dit is de rijke website van Kris Van Rhode.

 

 

http://www.digischool.nl/ne/community

Dit is de vakcommunity Nederlands,  namens Kennisnet beheerd door Drs. Willy Weijdema. Op deze site wordt de VVM-nieuwsbrief ook gepubliceerd.



[1] Deze reactie gaat in op twee samenhangende documenten: (1) Evaluatie van de lerarenopleidingen 2000-2001. Rapport van de stuurgroep van de lerarenopleidingen met beleidsaanbevelingen aan het adres van mevrouw Marleen Vanderpoorten Vlaams minister van Onderwijs en Vorming. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, augustus september 2001; (2) Henri B. Eisendraht, Evaluatie van de lerarenopleidingen in Vlaanderen 2000-2001. Eindverslag. Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, juni 2001.