Webquests bij het vak
Nederlands: een stapje verder.
In het Levende
Talen Magazine van januari 20011 besprak
John Daniels de mogelijkheden van webquests in het talenonderwijs. Met behulp
van de opgegeven url’s ben ik gaan zoeken naar goede webquests voor het vak
Nederlands. Wat mij vooral opviel, was dat er zo weinig goede voorbeelden voor
het moedertaalonderwijs voorhanden zijn. In een werkgroep met docenten in
opleiding (dio’s) aan het ICLON in Leiden is geprobeerd deze leemte op te
vullen. Doel daarbij was niet zozeer om een aantal geschikte webquests te maken
en die dan aan andere docenten ter beschikking te stellen. De belangstelling
ging veel meer uit in het onderbrengen van webquests in een activerend
leerproces. In dit artikel zal eerst worden besproken wat een webquest is en
welke didactische principes er aan ten grondslag liggen. Vervolgens zal een
korte beschrijving worden gegeven van actief leren, zoals dat door Ebbens en
Ettekoven2 is beschreven. Tot slot volgen een
tweetal voorbeelden van webquests die onderdeel uitmaken van een wat langere
lessenserie.
Webquest: meer dan een
zoektocht op het net.
Een webquest3
wordt omschreven als een onderzoeksgerichte opdracht waarbij (een deel van) de
informatie te vinden is in bronnen op internet. Uitgaande van de
onderwijskundige ideeën van Marzano4 heeft
Bernie Dodge, hoogleraar
onderwijstechnologie aan San Diego State University , de webquest
geïntroduceerd en beschreven. Maar een webquest is meer dan het zoeken van een
antwoord op een vraag. De webquest bestaat uit een aantal stappen die tot doel
hebben het denken van de leerling op een hoger plan te brengen. Aan het eind van de webquest wordt van
leerlingen altijd een product gevraagd. Bij een probleemgerichte webquest is
dat de oplossing voor dat probleem. Maar ook creatievere producten zijn
mogelijk zoals een poster, een maquette of een beargumenteerde beoordeling van
een website.
Een webquest bestaat uit de volgende
onderdelen:
§
Een
inleiding met de eerste informatie over het onderwerp
§
Een
uitvoerbare en interessante taak
§
Een
aantal informatiebronnen dat nodig is voor het uitvoeren van de taak. Bij het
maken van een webquest zal de docent meestal de geselecteerde url’s als een
wordbestand in een document hebben opgenomen. Het is ook mogelijk dat de
bronnen bestaan uit hyperlinks naar het World Wide Web, te doorzoeken databases
of per e-mail op te vragen informatie. De selectie van de bronnen door de
docent voorkomt dat de leerlingen op de digitale snelweg de weg kwijtraken en
hun opdracht niet meer afmaken.
§
Een
beschrijving van alle handelingen die de leerlingen moeten verrichten om hun
taak af te kunnen maken. De docent zorgt er voor dat de handelingen die de
leerlingen moeten uitvoeren, in kleine stappen worden beschreven.
§
Aanwijzingen
die de leerling precies informeren hoe de gevonden informatie verwerkt moet
worden.
§
Een
afsluiting waarin de leerlingen (meestal via een evaluatieschema) wordt geleerd
te reflecteren op wat zij hebben gedaan en wat ze ervan hebben geleerd.
Als uitvloeisel van het APS-project ‘Alle leerlingen bij de les’ verscheen en kleine twee jaar geleden het
boek Actief leren van Ebbens en
Ettekoven. Zij beschrijven vier typen leeractiviteiten van leerlingen die door
de docent in een les of lessenserie aangeboord moeten worden. “Elke lessenserie
zou zich moeten richten op het onthouden van feiten, op begrip van belangrijke
principes, op langdurige verankering in het geheugen en op wendbaarheid om de
kennis elders in te zetten.”5. De vier
typen leeractiviteiten met voorbeelden
die zij onderscheiden zijn6:
|
Leeractiviteit |
Omschrijving |
Voorbeelden |
|
Onthouden |
het
onthouden van de aangeboden informatie |
Luisteren,
oefenen, benoemen |
|
Begrijpen |
het
in eigen woorden vertelen van de leerstof die door de docent of door de
methode is aangebracht; een samenhang kunnen ontdekken tussen de verstrekte
gegevens |
Bediscussiëren,
een verklaring geven, grote lijnen aangeven, beredeneren |
|
Integreren |
het
activeren van kennis uit voorgaande leerjaren en/ of het verbinden van nieuwe
kennis aan oude kennis over het te behandelen onderwerp |
Vergelijken,
analyseren, beargumenteren, voorspellen |
|
Toepassen |
het
gebruiken van de opgedane kennis in een nieuwe, onbekende situatie |
Selecteren,
evalueren, een keuze maken, besluiten op basis van argumenten |
Bij
de laatste leeractiviteit moet opgemerkt worden dat deze dus niet inhoudt het
maken van een aantal opgaven wiskunde, waarvan de theorie door de docent is
uitgelegd. Een nieuwe, onbekende situatie is essentieel voor deze
leeractiviteit. Een voorbeeld vindt de lezer bij de twee uitgewerkte webquests.
Als voorbeelden van de vier typen
leeractiviteiten noemen Ebbens en Ettekoven:
-
Onthouden:
We hebben nu een aantal voorbeelden gedaan. Zet in de verschillende zinnetjes
een streep onder het onderwerp.
-
Begrijpen:
Vat kort in eigen woorden samen wat we net hebben besproken.
-
Integreren:
Vergelijk de antwoorden die jullie samen hebben gevonden met die in het boek.
Geef aan wat de overeenkomsten en verschillen zijn. Bespreek met name de
verschillen en zorg met argumenten voor een alternatief.
-
Toepassen:
Bedenk zelf een opgave. Geef ook je antwoord.7
De
eerste twee leeractiviteiten worden door Ebbens en Ettekoven gedefinieerd als
leren 1, de laatste twee als leren 2. De eerste fase van leren 2 zien zij als een
experimenteerstadium tussen leren 1 en 2.
In Actief
leren geven Ebbens en Ettekoven vervolgens aan dat er in de onderwijskunde
verschillende variaties op concept van leren 1 en 2 zijn bedacht. Of beter
gezegd: het concept van actief leren dat zij met een grote groep docenten
hebben ontwikkeld, is terug te vinden in de verschillende onderwijskundige
theorieën.
Zo kunnen zij de drie-verdiepingen-intelligentie van
Fogarty, Belanca en Costa, dat weer gebaseerd is op de indeling van Bloom, onderbrengen in hun eigen systeem. Het
drie-verdiepingen-intellect bestaat uit de leeractiviteiten verzamelen (i.e.
tellen, beschrijven, benoemen etc), verwerken (i.e. uitleggen waarom,
beredeneren, analyseren) en toepassen (i.e. evalueren, schatten, beoordelen).
Het verzamelen valt samen met door Ebbens en Ettekoven benoemde
leeractiviteiten onthouden en begrijpen. Verwerken is hetzelfde als integreren
en de benaming van de derde leeractiviteit van Fogarty e.a is identiek aan de
vierde van Ebbens en Ettekoven.
Eenzelfde overeenkomst valt te constateren tussen de
vijf dimensies van Marzano en het actieve leren van Ebbens en Ettekoven. De
vijf betekenisvolle leertaken van Marzano kunnen als volgt omschreven worden:
Dimensie
1: een positieve houding en opvatting
over het (eigen) leren
In deze dimensie worden de voorwaarden beschreven om tot leren te komen. Een voorbeeld; zich geaccepteerd voelen door andere leerlingen.
Dimensie
2: het verwerven en integreren van nieuwe
kennis en vaardigheden
In deze dimensie worden twee vormen van kennis onderscheiden: declaratieve kennis en procedurele kennis. Het eerste begrip betreft de kennis die leerlingen moeten kennen zoals woordjes en grammaticale regels; het tweede begrip is de kennis over wat leerlingen moeten doen: het maken van staartdelingen, het lezen van een kaart uit het aardrijkskundeboek.
Leerlingen kunnen met acht vaardigheden hun
kennis uitbreiden, aldus Marzano. Die vaardigheden worden deels ook genoemd door
Vermunt in zijn leerstijlenonderzoek: vergelijken, classificeren, induceren,
deduceren, analyseren, construeren, abstraheren en analyseren van
perspectieven.
Dimensie
4: betekenisvol gebruik van kennis en
vaardigheden
Betekenisvolle kennis kan slechts opgebouwd worden
met behulp van betekenisvolle opdrachten. Marzano onderscheidt er vijf:
besluitvormingstaken, onderzoek, experimenteel onderzoek, probleem oplossen en
uitvinden/ ontwerpen. Omdat de laatste vier voor zich spreken, geef ik een
voorbeeld van een besluitvormingstaak die ook door Ebbens en Ettekoven8 wordt genoemd: Noem de vier
belangrijkste kenmerken van een wereldleider en noem een persoon die aan die
vier kenmerken voldoet.
Dimensie
5: productieve leer- en denkgewoontes
In deze dimensie beschrijft Marzano hoe leerlingen
in staat zijn hun eigen leergedrag vorm te geven. Zelfregulerend, kritisch en
creatief denken zijn daarbij de aandachtspunten.
Ebbens en Ettekoven constateren dat dimensies twee
tot en met vier aansluiten bij de vier stadia van het concept van actief
leren. Bij beide benaderingen gaat het
in principe om het ontwikkelen van bewust leergedrag.
Er worden twee soorten webquests onderscheiden: de
kortdurende en de langdurige. Een kortdurende webquest vergt niet meer dan drie
lesuren. Het doel van deze lessenserie is dat leerlingen kennis verwerven en
die ook integreren in de reeds aanwezige kennis. Deze vorm van de webquest
sluit dus aan bij de tweede dimensie van Marzano en omvat tevens leren 1 en het
eerste gedeelte van leren 2 waarin naar hartelust geëxperimenteerd mag worden:
de integratiefase.
Een webquest kan ook over een langere periode worden
uitgesmeerd. Dan gaat het voornamelijk om het uitbreiden en verfijnen van
kennis. De leerling heeft laten zien dat hij de stof die hij heeft moeten
bestuderen begrijpt, nadat hij daarvoor de geselecteerde informatie diepgaand
heeft geanalyseerd en verwerkt.
Met
een aantal studenten is een poging gedaan om de webquest te integreren in de
didactiek van het actief leren. We hebben gekozen voor twee onderwerpen:
jeugdliteratuur en taalkunde. Beide webquests zijn geschikt voor de
basisvorming en kunnen, zoals ook zal blijken, uitgebreid worden tot een vrij
grote lessenserie. We hebben geprobeerd een complete webquest weer te geven
zodat de docent die meteen in zijn onderwijspraktijk kan toepassen.
Webquest 1: jeugdliteratuur
De promotiefolder
Inleiding
Je zit nu in de derde klas en
je hebt al heel veel jeugdliteratuur gelezen Je bent een expert op dit gebied.
Je hebt in de afgelopen vijf jaar de hele schoolbibliotheek verslonden. Als een
brugklasser iets wil weten over goede en spannende boeken, ben jij de
aangewezen persoon om het die brugpieper te vertellen. Van jouw kennis willen
we graag gebruik maken. We willen je vragen of jij samen met een vijftal
leerlingen uit je klas de brugklassers eens kunt uitleggen wat nu goede
jeugdboeken zijn.
Opdracht
1.
Met vijf andere
leerlingen kies je een van de volgende zes schrijvers uit:
Joke van Leeuwen, Carry Slee,
Ted van Lieshout, Thea Beckman en Els Pelgrom.
2.
Je leest in je groep allemaal een boek van die schrijver.
Let op, iedereen leest een ander boek.
3.
Je maakt met je klas een promotiefolder waarin deze zes
schrijvers worden besproken. Jij bent met je groepje verantwoordelijk voor een
beschrijving van een van die zes schrijvers. De folder moet in totaal twaalf
pagina’s bevatten. Elke groep is verantwoordelijk voor twee pagina’s. De folder
is bestemd voor de brugklas. Leerlingen moeten na het lezen van de folder een
boek van een van de besproken auteurs gaan lezen.
4.
De twee pagina’s moeten in elk geval bevatten:
Informatie over de schrijver,
foto van de schrijver, informatie over de boeken die hij of zij heeft
geschreven, korte inhoud van de boeken die je in je groepje hebt gelezen, je
mening over het gelezen boek, een korte beschrijving van de hoofdpersoon en een
typerend citaat.
Proces
Stappenplan voor het
maken van een promotiefolder:
1.
Bekijk een promotiefolder (te vinden in de bibliotheek of
in de mediatheek). Kijk naar de indeling en de lay-out en bepaal samen hoe
jullie pagina’s er uit gaan zien.
2.
Verdeel de volgende taken9
zo eerlijk mogelijk:
Schrijvers: twee leerlingen die
de stukken tekst schrijven
Vrager: de leerling die de docent
er bij mag roepen als er problemen zijn
Materiaalchef: de leerling die
de benodigde spullen haalt en brengt
Opzoeker: de leerling die de
naslagwerken in de mediatheek raadpleegt
Computerfanaat: de leerling die
de bronnen op internet bekijkt
3.
Verzamel informatie over de schrijver. Zie hiervoor
bovenstaande opdracht, punt 4.
4.
Bespreek met je groepsleden wat je van het boek vond en
verwerk de uitkomsten van deze discussie
5.
Ontwerp de teksten voor de promotiefolder.
6.
Alle promotiefolders worden samengevoegd tot een grote
folder van 12 bladzijden.
Tip: om
een mooie promotiefolder te maken kun je de tekst liggend in kolommen opzetten.
De button liggend vind je in Word onder Bestand, pagina-instelling, papierformaat. Bij
afdrukafstand heb je de keuze tussen staand of liggend.
Hoe je kolommen kunt maken vind je onder de button Opmaak
Voor deze webquest heb je drie weken de tijd. Het lezen
van een boek is niet meegerekend. Als je aan deze webquest begint heb je al in
een vorige periode van het jaar een boek van een van de schrijvers gelezen.
Bronnen
1.
http://www.schrijversnet.nl/
Hier vind je in de alfabetische
lijst van schrijvers de namen van de zes geselecteerde auteurs. Bij elke auteur
kun je klikken op de buttons: informatie over de schrijver, autobiografie,
links en bibliografie (een lijst met boeken die hij heeft geschreven). Vaak is
het mogelijk door te klikken naar de eigen website van de auteur.
Het is natuurlijk niet de
bedoeling dat je de teksten van het internet letterlijk overneemt. Je bespreekt
ze in je groep en jullie schrijven aan de hand van de gevonden informatie in
eigen woorden de twee pagina’s vol.
2.
http://www.dit.is/jeugdliteratuur/
Een verzamelsite met heel veel
informatie over jeugdliteratuur. Niet alle geselecteerde schrijvers zijn hier
te vinden.
Een verzamelsite over peuter-,
kinder- en jeugdboeken. De button jeugdboeken bevat doorklikmogelijkheden naar
schrijvers, boeken, onderwerpen, uitreksels en weetjes.
4.
http://www.jeugdboekenschrijvers.nl/
Een site over jeugdliteratuur
die nog ontwikkeld wordt. De mogelijkheid bestaat om meteen door te klikken
naar de website van je favoriete auteur.
Beoordeling
en evaluatie
Je wordt beoordeeld op een aantal categorieën. Je vindt ze in de onderstaande tabel.
|
1.
Heb je aan de WebQuest voldaan? (heb je dus goed gewerkt
tijdens de les en aan de eisen voldaan die in het proces staan?) |
Helemaal
niet |
0
punten |
|
Een
beetje |
2
punten |
|
|
Helemaal |
4
punten |
|
|
2.
Is de promotiefolder goed te begrijpen door een leerling uit de
brugklas? |
Niet
te begrijpen |
0
punten |
|
Voldoende
te begrijpen |
3
punten |
|
|
Goed
te begrijpen |
5
punten |
|
|
3.
Ziet de promotiefolder er goed verzorgd uit? |
Onverzorgd |
0
punten |
|
Redelijk
verzorgd |
1
punt |
|
|
Verzorgd |
2
punten |
De
behaalde punten worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door de factor 1.1.
Conclusie
De docent hoopt dat je het leuk hebt gevonden om op
deze manier (met een WebQuest) achter informatie te komen. Nadat je de promotiefolder van je groep hebt
ingeleverd moet je nog een paar vragen beantwoorden. De vragen staan hieronder.
Je mag de antwoorden naar je docent(e) mailen of je mag ze schriftelijk
indienen.
2.
Wat vond je van de tijd die beschikbaar was. Was deze te kort, te lang of
precies genoeg?
3.
Was je het eens met je cijfer? Waarom of waarom niet?
4.
Wat had je graag anders gezien in deze WebQuest?
5. Eventuele andere opmerkingen.
Groepen onderscheiden zich vaak van elkaar door kleding, gebaren, rituelen en voorkeuren voor muziek. Maar ook door taalgebruik. De taal die sommige jongeren met elkaar spreken wordt ook wel straattaal genoemd. Het is een vorm van Nederlands waarin veel woorden uit allochtone talen en het Engels voorkomen. Jongeren van verschillende afkomst die in de steden met elkaar in contact komen, lenen elkaars woorden en uitdrukkingen. Een gevolg daarvan is dat de invloed van andere talen zowel in het taalgebruik van allochtone als van autochtone jeugd terug te vinden is. In deze webquest ga je een onderzoek doen naar jongerentaal.
Opdracht
Het product dat aan het eind van deze webquest moet worden ingeleverd, is een nieuwsbericht dat in jongerentaal is geschreven. Je mag het ‘nieuws’ ook zelf verzinnen. De lengte van het bericht bedraagt ongeveer 100 woorden (zie opdracht 3). Voor je aan de opdracht begint moet je bij wijze van introductie op het onderwerp een tweetal opdrachten maken (zie opdracht 1 en 2)
Opdracht 1:
Beluister de geluidsfragmenten op de website. Wat valt je op bij het beluisteren van de fragmenten? Komt het je bekend voor? Vind je het mooi klinken? Leg uit aan de andere leerling uit waarom je dat vindt.
Opdracht 2:
Lees
het artikel over straattaal. Beantwoord de eerste twee vragen die onder het
artikel staan. Noteer de antwoorden en bedenk wat je mening is over dit
onderwerp. Vormt straattaal een bedreiging voor het Nederlands? Zo ja, waarom?
Schrijf je argumenten op. Maak vervolgens een kort verslag over de discussie
die je daarover hebt gevoerd met een ander tweetal leerlingen. Dit verslag
lever je in aan het eind van de les 2.
Opdracht 3:
Schrijf
een zelf verzonnen nieuwsbericht van ongeveer 100 woorden in straattaal met
behulp van het slangwoordenboek dat je op de hieronder genoemde website kan
vinden
Voor
deze webquest heb je 4 lesuren de tijd.
Proces
Je werkt in tweetallen. Alleen bij de discussie bij opdracht 2 werk je samen met een ander tweetal. Een van jullie leidt de discussie. Twee leerlingen zijn verantwoordelijk voor het verslag. De vierde leerling is de luistervink. Hij is degene die bij andere groepen mag luisteren welke argumenten daar worden genoemd of ideeën op mag doen voor het maken van het verslag.
1. http://www.rnw.nl/kids/fun/Trends/Straattaal.html
Een site van Radio Nederland Wereldomroep met geluidsfragmenten over jongerentaal.
2. http://www.blikopener.nl/nieuws/k32001/art3straattaal.htm
Een
heel bruikbare site compleet met slangwoordenboek, een woordenlijst straattaal, straattaalleesplankje en opdrachten.
3. http://www.omroep.nl/nps/bradaz/slang.html
Een
lijst met straattaalwoorden.
Beoordeling en evaluatie
|
Nieuwsbericht |
Uitstekende kennis over straattaal |
Voldoende kennis over straattaal |
Beperkte kennis over straattaal |
Onvoldoende kennis over straattaal |
|
Inhoudelijke informatie over straattaal |
³ 35 woorden in straattaal |
20 tot 35woorden in straattaal |
10 tot 20 woorden in straattaal |
£ woorden in straattaal |
|
Presentatie nieuwsbericht |
Een nieuwsbericht met lead, kop en ondertitel. Een echt krantenartikel dus. |
Goed artikel, maar zonder lead, kop en ondertitel. Wel een titel boven de tekst |
Matige samenhang tussen de verschillende alinea’s. Geen lead, titel, ondertitel. |
Geen samenhang in de geschreven tekst. Tekst heeft minder dan 75 woorden |
|
Samenwerking van de leerlingen |
Goede samenwerking. Ook in de discussie |
Redelijke samenwerking |
Voldoende samenwerking |
Nauwelijks of geen samenwerking |
|
Uitvoering van de webquest |
Alle opdrachten uitstekend uitgevoerd |
Alle opdrachten redelijk uitgevoerd. Of twee opdrachten uitgevoerd en een minder. |
Alleen een nieuwsbericht in straattaal. Aan andere opdrachten nauwelijks aandacht besteed |
Alle opdrachten onvoldoende uitgevoerd. Weinig te merken van fenomeen straattaal |
Conclusie
Ga
voor jezelf eens na of je:
·
een
goed beeld hebt gekregen van de straattaal en hoe dat door jongeren wordt
gebruikt
·
weet
hoe een nieuwsbericht gemaakt wordt
·
je
nieuwsbericht de moeite van het lezen waard is.
Een stapje verder.
De docent kan besluiten het product van de webquest als eindstation te zien. Een volgend onderwerp uit het curriculum moet immers behandeld worden. Hij kan natuurlijk ook besluiten een volgende activiteit te koppelen aan de webquest. Daarbij kan hij in overweging nemen om de leeractiviteit toepassen in te voeren in het curriculum. Wat kan de docent dan doen?
Bij webquest 1: jeugdliteratuur is een van de onderstaande vervolgtrajecten mogelijk. Laat de leerlingen uit de derde klas de folder bespreken in een les jeugdliteratuur in de brugklas. Boekpromotie door experts! Laat de leerlingen hun product (digitaal) opsturen naar de schrijver(s) en laat ze een van hen uitnodigen voor een bezoek aan de school. Laat leerlingen op basis van de folder een enquête houden onder de leerlingen van klas 1 en 2; laat ze de uitslag publiceren in de schoolkrant. Stuur de folder op en laat de leerlingen mailen met de auteur(s).
Na de webquest over jongerentaal kunnen de leerlingen een bandopname maken waarbij jongeren gevraagd wordt naar hun taalgebruik. Deze bandopname kan verstuurd worden naar een medewerker van een lokaal radiostation en misschien is het mogelijk om een programma over jongerentaal te maken. De leerlingen zouden ook de vervolgopdracht kunnen krijgen om een plaatselijke krant te interesseren voor hun onderzoek. (Het voorbereiden van) een gesprek met een journalist valt toch ook onder het domein spreekvaardigheid?
Er zijn ons inziens verschillende mogelijkheden om na een webquest de transfer te maken naar de andere vakdomeinen. Bovendien hebben we aangetoond dat het wel degelijk mogelijk is om de leeractiviteit een andere inhoud te geven dan: “ ga de oefening maar maken.” Zoals gezegd wijzen Ebbens en Ettekoven vooral op het creëren van een nieuwe, onbekende situatie.
Tot slot
In verband met een eventuele publicatie is weinig aandacht besteed aan het ‘opleuken’ van de webquest. Er zijn geen plaatjes en bewegende beelden aan de tekst toegevoegd. De docent hoeft geen computerfanaat te zijn om een webquest te ontwikkelen. Hij kan er wel voor kiezen om de webquest on line aan te bieden, bijvoorbeeld in een elektronische leeromgeving als blackboard of WebCT. Maar zelfs dat is niet noodzakelijk. De hyperlinks (zie de bronnen) in een word-document kunnen ook geactiveerd worden als de leerlingen de beschikking hebben over een internetverbinding (Internet Explorer).
Met dank aan de dio’s Nederlands, studiejaar 2001/ 2002. Zij hebben de onderwerpen van de webquests uitgekozen en de ruwe vormen ervan opgezet.
Ad van der Logt,
Docent Nederlands Ashram College, Alphen aan den Rijn
Lerarenopleider ICLON, Leiden
1 Levende Talen Magazine, jrg. 88/1 (januari 2001), blz. 16 – 19.
2 Ebbens, S. en S. Ettekoven. Actief leren. Bevorderen van verantwoordelijkheid van leerlingen voor hun eigen
3 Meer informatie over webquests is te vinden op: http://www.jacobus.nl/geschiedenis/webquests/
4 De Educatieve Faculteit Amsterdam heeft een veel verder uitgewerkte bewerking Marzano’s ideeën op haar website gezet. Het adres is: http://www.efa.nl/portal/index-mw.html. klik op virtuele school en vervolgens op leren in dimensies.
5 Ebbens, 2000. Blz. 13.
6 Tabel samengesteld op basis van Ebbens, 2000. Blz. 13-26.
7 Ebbens, 2000. Blz. 14-16.
8 Ebbens, 2000. Blz. 45
9 Indeling voornamelijk gebaseerd op: Ebbens, S., S. Ettekoven en J. van Rooijen. Samenwerkend leren. Groningen, 1997. Blz. 37 en 38.