Antwoorden bij internetpoëzie van Broklede

 

 

Vraag 2.

Je kunt zien dat een gedicht doordat de regels niet (zoals in een boek) tot het einde van de pagina doorlopen.

Ook zitten er heel veel vormen van herhaling in dit gedicht. Let maar eens op het eerste woord van iedere regel.

Het gedicht is ingedeeld in kleinere stukjes tekst die bij elkaar horen. Deze eenheden, die zijn gescheiden van elkaar door witregels, noemen we ook wel strofen. Dit in tegenstelling tot een boek, waarin we de stukjes tekst alinea’s noemen.

 

In dit gedicht spreekt de ikfiguur de wens uit om onzichtbaar te zijn. Zij wil niet gevonden of gezien worden. Misschien is de ikfiguur de aarde (met alle ellende) wel zat of voelt ze zich niet begrepen door de mensen met wie zij omgaat.

 

De illustratie past goed bij het gedicht, omdat het herfst is. In de herfst vallen de laatste bladeren van de bomen en verdwijnt het leven. De herfst staat dan ook voor ouder worden, leegte en verval. De winter (de dood) komt eraan. Gelukkig begint in de lente alles weer opnieuw!

De tekst zelf verdwijnt ook, onder de tak van de bomen.

 

Vraag 3.

Dit is eigenlijk een ontzettend moeilijke vraag. Als er had gestaan welk gedicht je mooier vindt, had je nog op je smaak af kunnen gaan en bijvoorbeeld kunnen zeggen dat je het gedicht van Tamara mooier vindt, omdat hij grappiger is en dat je meer van grappige gedichten houdt dan van serieuze. Maar er werd niet gevraagd of je het gedicht “mooier” vond, maar of je het “beter” vond. Leg maar eens uit waarom het ene gedicht beter is dan het andere!

Je zou bijvoorbeeld kunnen zeggen dat het gedicht van Tamara te duidelijk is: iedereen weet precies waar dat gedicht over gaat. Er staat wat er staat. Als je hem één keer hebt gelezen, dan weet je het allemaal wel, terwijl je over het gedicht van Laura wat langer na moet denken, want waarom zou de ikfiguur willen verdwijnen?

Aan de andere kant is het wel knap van Tamara om een gedicht te schrijven dat pas helemaal aan het eind een verrassende wending krijgt.

 

Vraag 4.

Het gedicht bestaat uit drie strofen. Je kunt daar twee argumenten voor aanvoeren: op het moment dat er een vogel begint te praten, begint er een (nieuwe) strofe.

Een andere reden is dat de drie strofen verschillen van inhoud: de eerste strofe bevat een constatering/mededeling, de tweede strofe een uitleg/uitwijding bij de constatering van strofe 1 en de derde strofe bevat een tegenstelling. Dat laatste kun je zien aan het woordje “maar”.

 

Vraag 5.

“Het gemis van een geliefde” zou het ideale antwoord zijn, maar dat staat er niet bij. We mogen dus kiezen voor antwoord a of c. Antwoord d is echt fout: de animatie gaat wel een beetje over mishandeling, maar het gedicht absoluut niet. Antwoord b (een heel goede vriendschap) zou goed kunnen zijn, maar c lijkt dan beter, omdat in de laatste regel van het gedicht “stapelgek” staat en bij “stapelgek” denk je al gauw aan verliefdheid en liefde.

 

Vraag 6.

Antwoord b is beter, omdat er telkens staat: “ik ben stapelgek op jou”. Met andere woorden: of je nu mooi bent of lelijk, als je gek bent op iemand, doet het uiterlijk er niet meer toe.

 

Vraag 7.

De dame in de spiegel maakt zichzelf mooier dan dat ze in werkelijkheid is. Ze creëert haar eigen werkelijkheid en ziet wat ze graag wíl zien. Dat lijkt op wat er in het gedicht gebeurt: liefde maakt blind: je zet de negatieve kanten van iemand gewoon om in positieve. In de tweede strofe zou weleens kunnen staan hoe de geliefde er in het echt uitziet, terwijl in de eerste strofe staat hoe de ikfiguur de geliefde ziet. 

 

Vraag 8.

De strijd lijkt gaan tussen een tekening (schilderij?) en woorden (gedicht?) .

Iemand schildert, maar het schilderij komt niet tot stand, omdat de woorden winnen. De dichter lijkt te willen zeggen dat hij het makkelijker vindt om zijn gevoelens en gedachten om te zetten in gedichten dan in beelden (een schilderij). De zeggingskracht van poëzie is sterker dan de zeggingskracht beelden.

Toch zet de laatste regel deze theorie deels weer op losse schroeven. De wens en drang van de ikfiguur om zijn gedachten en gevoelens in beelden om te zetten blijft immers bestaan.

 

Over de vraag of een gedicht maar op één manier te begrijpen moet zijn, kun je van mening verschillen. 

 

Vraag 9.

Alliteratie is medeklinkerrijm. De beginklanken van woorden of woorddelen worden herhaald.

 

Een voorbeeld van alliteratie uit het gedicht: “in zeven zuchten zingen zij”. Een ander voorbeeld: “Kleur, klieder en klats”.

 

Alliteratie kun je om verschillende redenen gebruiken. Het gedicht wordt er soms mooier van. Het gaat op muziek lijken als je veel klanken herhaald.

In het gedicht van Anco gaat het nog een stapje verder. De letter “k” is een vrij harde klank die het kliederen en klatsen ondersteunt. De letter drukt dus uit wat er in het gedicht wordt gezegd. Datzelfde lijkt te gebeuren bij “vage vegen vallen weg”. De letter “v” is een vrij zachte klank die het wegvallen van vage vegen mooi ondersteunt.

 

Opdracht 10.

Hier zijn verschillende antwoorden mogelijk.

 

Opdracht 11.

De ikfiguur lijkt een onbestemd gevoel te hebben en is verward en angstig. Mogelijk wordt dit veroorzaakt door de omgeving. Het lijkt nacht te zijn, want het water is zwart. “Zwart wordt blauw” staat er in het gedicht. Misschien wordt het ochtend. Als het licht op het water schijnt lijkt het immers blauw van kleur.

 

 

 

 

 

Opdracht 12.

Antwoord a en c zijn niet goed, omdat het niet zozeer om de gebeurtenis zelf gaat, maar eerder om wat die gebeurtenis met de ik-figuur doet. Antwoord b is dus het beste antwoord. Degene die het gedicht leest, is verbaasd, maar het meisje zelf is dat helemaal! De dichter spot een beetje met de emoties van de lezer.

 

Vraag 13.

Soms heb je zoveel aan je hoofd dat je niet meer goed kunt nadenken. Er worden immers niet voor niets zoveel woorden gebruikt. Die geven de drukte in je hoofd mooi weer.

 

Vraag 14.

Het is het lot van de mensen om met de tijd mee te reizen. We kunnen niet terug in de tijd, hoe graag we dat ook zouden willen, bijvoorbeeld om iets te herstellen wat we verkeerd deden, of om juist iets te doen wat we nalieten.

 

Vraag 15.

- de meeste mensen leiden een regelmatig leven: ze gaan om 9 uur naar hun werk, om 5 uur weer naar huis en hebben zo wel meer gewoonten (3 keer eten per dag, enz). Een zwerver kent dat regelmatige bestaan niet meer en doet zijn slaapje bijvoorbeeld overdag (zie regel 2).

- de zwerver wordt verleken met een klokhuis.

- het is een goede vergelijking. Zwervers kunnen het drukke bestaan niet meer aan en kiezen voor een ander leven. Maar dat zwerversleven is vaak minstens zo zwaar als het gewone. Je moet vaak vechten voor je bestaan en het is niet eenvoudig om aan geld, eten en een slaapplaats te komen. Zwervers worden opgeslokt door hun omgeving. Ze leven niet, maar worden geleefd en hebben het gevoel dat ze (als een klokhuis) opgegeten worden. Dat is wat de dichter wil zeggen.

- zijn blik wordt vergeleken met een broekspijp van een man zonder been. De overeenkomst is dat ze allebei leeg zijn.

- waarschijnlijk zorgt een zwerver ervoor om zo min mogelijk op te vallen en zo zijn overlevingkansen te vergroten. Hij zal dus weinig geluid maken. “Kusjes geven” drukt ook uit dat de straat het enige is waar een zwerver zich nog mee verbonden voelt.

 

Opdracht 16.

Hier zijn verschillende antwoorden mogelijk. Merk op dat de tekening bij het gedicht van Koen er op het eerste gezicht helemaal niet bij past. Maar als de tekening de wéns van de ikfiguur uitdrukt, past het er juist weer heel goed bij!

 

Opdracht 17.

Dit is persoonlijk, maar vergelijk je antwoord wel even met het antwoord dat anderen geven.

 

Opdracht 18.

Dit is persoonlijk, maar vergelijk je antwoord wel even met het antwoord dat anderen geven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoorden bij internetpoëzie van het Xaveriuscollege

 

 

Vraag 3.

Spurten en steppe / leven en luipaard

 

Vraag 4.

Lichtgroene stil is

 

Vraag 5.

Het gaat over een ik-figuur die aan het sterven is en de liefde niet (meer) toelaat. Dat de ik-figuur sterft, kun je afleiden uit de woorden “ik ben koud, geen mens kan mij warmen” en “sluit vredig de ogen”. De zin “bevrijd me uit mijn lichaam” kun je dan lezen als de wens van ik-figuur om met zijn ziel naar een andere werkelijkheid te gaan. Hij ziet de dood dus als een bevrijding. Hij laat geen warmte en liefde meer toe, ook niet het verdriet van iemand die om hem rouwt.

In de tekening zie je iemand huilen en het oog van de ik-figuur. Dat oog past goed bij het gedicht, omdat de ik-figuur alles denkt, maar niets zegt. Je kunt dus als het ware zijn gedachten lezen door in zijn ogen te kijken. Waarschijnlijk is de ik-figuur door een ziekte of door een ongeluk niet meer in staat om te praten.

 

Vraag 6.

Als je uitgaat van degene die bij de ik-figuur zit, dan is d het beste antwoord. De ik-figuur zegt “ik ben jouw angst voor de dood” en geeft daarmee aan dat degene die bij hem zit, bang is om iemand kwijt te raken. Als je uitgaat van de ik-figuur zou het thema kunnen luiden: afscheid nemen van het leven, maar dat antwoord staat er niet bij.

 

Vraag 7.

Het woord “Verborgen”.

 

Vraag 8.

Als jij of ik (of wij allebei) ons blijven inspannen voor onze relatie, dan komt het wel goed met ons, dan blijven we bij elkaar en blijf jij bij mij.

 

Vraag 9.

De zin die ontstaat, luidt: “met een beetje goede wil, blijf je van mij af”. De vrouw is hier aan het woord: we bevinden ons immers achter de rits van de vrouw. Ze zegt dus eigenlijk: als je het beste met mij (of met ons) voor hebt, dan moet je niet (meteen) aan me gaan zitten.

 

Vraag 10.

In eerste instantie is de vrouw op zoek naar een geestelijke liefde.

 

Vraag 11.

Je zou goed kunnen verdedigen dat dit poëzie is. Allereerst gaat het over de gevoelens van de ik-figuur. Daarnaast lopen de regels niet door tot het einde van de pagina. Ook is het op een bijzondere manier opgeschreven. Die korte, mededelende zinnetjes hebben iets geheimzinnigs: er staat geen woord teveel. Toch zitten er ook vormen van assonantie (klas en hangt / is, wit en licht) en alliteratie (hangt, hier en hoofd / vreemde en voelt) in het gedicht.

 

 

Vraag 12.

Het licht legt in één seconde ongeveer 300.000 kilometer af. Als de liefde nog sneller verdwijnt, betekent dit dat de dichter weinig vertrouwen heeft in de duurzaamheid van een (liefdes)relatie. Die opvatting wordt ook ondersteund doordat het gedicht over kaarsen gaat. Een kaars heeft maar een beperkte levensduur, net als de liefde.

 

Vraag 13.

Dat brandt / liefde die

Dichters gebruiken assonantie en alliteratie vooral om gedichten muzikaler te maken. Het zijn rijmvormen, omdat er bepaalde klanken worden herhaald. Dat gebeurt ook met eindrijm. Maar sommige dichters vinden eindrijm niet mooi en zoeken daarom naar andere vormen.

 

Vraag 14.

In de rook van de kaarsen zijn allemaal hartjes getekend.

 

Vraag 15.

“Wenste ik dat ik een onopvallend betonblok in de straat was.”

 

Vraag 16.

Ja, er wordt alleen maar zwart, wit en grijs gebruikt. Dat zijn uiteraard geen opvallende, of vrolijke kleuren. Zwart en wit passen goed bij de wens van de ik-figuur om onopvallend te zijn. Het gedicht gaat ook over “een grijze straat” vol “grijze mensen”.

 

Vraag 17.

Antwoord d is het beste thema. Onzichtbaar willen zijn, is vrijwel hetzelfde als onopvallend wensen te zijn. Antwoord b is (te) concreet. Antwoord c gaat niet zozeer over de ik-figuur. Voor antwoord a is wel het een en ander te zeggen, maar d is preciezer en daarom beter.

 

Vraag 18.

- als je verliefd bent, heb je weinig oog voor je omgeving. De ik-figuur beseft dat de bus hen met regelmaat zal passeren, maar zal hem expres voorbij laten gaan, omdat hij geen zin heeft om zich onder de mensen te begeven.

- hij ziet de bus als een gevaar, omdat in de bus stappen, betekent dat hij niet meer intiem kan zijn met zijn geliefde.

- antwoord c dekt het best de lading van het gedicht. Het staat er namelijk bijna letterlijk in en daarom is het antwoord beter dan b en d. Antwoord a is (te) concreet, dekt de lading van het gedicht niet en is dus echt fout.

 

Vraag 19.

Antwoord c lijkt hier het beste antwoord. In het gedicht staat immers “je bent hetzelfde maar toch anders.” Antwoord d valt in ieder geval af. Het gaat helemaal niet over een klavertje vier: het wordt slechts als vergelijking gebruikt. Antwoord a is te vaag. Het geeft niet goed aan wat voor een waarde dat “anders zijn” heeft. Datzelfde geldt in mindere mate voor antwoord b.

 

Vraag 20.

In het midden van de illustratie staat een wit figuurtje. Hoewel dat figuurtje dezelfde vorm heeft als de zwarte figuurtjes, onderscheidt het zich dus door de kleur die het heeft. Dat is precies hetzelfde als wat in het gedicht wordt gezegd: “je bent hetzelfde maar toch anders”.

 

 

Vraag 21.

Antwoord b. De muziek is snel en vrolijk.

 

Vraag 22.

Antwoord a. De muziek is traag en niet erg opgewekt.

 

Vraag 23.

Antwoord c. In de derde strofe staat namelijk letterlijk: “ik ben een onzekere si”. Antwoord a en b zijn niet goed, omdat de dichter de muziek alleen maar gebruikt om aan te geven hoe hij zich voelt. Er is nergens een argument te vinden dat voor antwoord d pleit. Ook dat antwoord is dus niet goed.

 

Vraag 24.

“Overbevolkt” betekent dat er teveel mensen zijn. Je denkt dan al gauw aan een grote stad. In een gevangeniscel van 3 bij 3 meter krijg je het al snel benauwd en is één persoon al teveel. De dichter zegt op deze manier dat hij niet in een cel wil zitten.

 

Vraag 25.

Als je huilt en je hebt een traan in je oog, lijkt de hele wereld te bewegen en wazig te worden. Dat gebeurt ook in de tekening.

 

Vraag 26.

De omgedraaide traan lijkt veel op een hartje, het symbool van de liefde.

 

Vraag 27.

A en d vallen direct af. A is (te) concreet en over d gaat het gedicht gewoon niet. B en C lijken veel op elkaar. Antwoord c geeft aan dat het om de liefde gaat, maar daar staat niets over in het gedicht. Als we het hart in de tekening als symbool voor de liefde opvatten, kun je antwoord c goed rekenen, maar op grond van het gedicht zelf lijkt antwoord b het best.

Misschien was een nog beter thema geweest: de onmogelijkheid om getroost te worden.

 

Vraag 28.

Dit is persoonlijk, maar vergelijk je antwoord wel even met het antwoord dat anderen geven.

 

Vraag 29.

Dit is persoonlijk, maar vergelijk je antwoord wel even met het antwoord dat anderen geven.