Gedichtendag

Na de vergadering van maandag jl. en overleg met een zevental collega’s doe ik het volgende voorstel aan de Bovenbouwvergadering.

Woensdag

De gewone lessen vervallen. De leraren bieden in onderlinge samenwerking een vijftiental dagprogramma’s aan waartussen gekozen kan worde. Je kunt aangeven voor welke klassen je programma toegankelijk is, maar de klassenstructuur wordt doorbroken.

Bij de opbouw van de dag houd je liefst rekening met de gewone tijden. De ene groep kan eerder klaar zijn dan de andere.

Voor je dagprogramma zijn drie principieel verschillende invalshoeken mogelijk:

-          gedichten laten maken en die presenteren op een poster, als voordracht of theatraler

-          gedichten als werkmateriaal geven om ze vorm te geven met verschillende expressiemiddelen

-          naar aanleiding van een gedicht iets heel anders doen (binnen het eigene van je vak dat niets met taal te maken hoeft te hebben) en bij de presentatie het gedicht betrekken

  

Een gedicht maken

                                   Zie ook: voorbeeldles "Het oog"

a. Je geeft de groep een gemeenschappelijke ervaring

(dat kan van alles zijn: van waarnemingsoefeningetjes zoals de wereld bekijken door een nauwe koker van opgerold papier, de klankimprovisatie die je met elkaar maakt, een duinwandeling, bekijken van een schilderij, toneel-achtige dingen, een kringgesprek over van alles)

b. Uit de aantekeningen die je daarbij hebt laten maken laat je kleine tekstjes maken

c. Deze worden aan elkaar voorgelezen, de goede eigenschappen ervan worden eruit gehaald en leveren dus tips op voor de volgende ronde.

            Deze cyclus herhaal je voor wat opwarmingstekstjes en tenslotte voor een grote tekst.

            Na terugkomst worden de grote teksten aan elkaar voorgelezen en kan een meer of minder verfijnd verbeter- en presenteerproces beginnen.

Een gedicht (-cyclus) vorm geven

                                   Zie ook: voorbeeldles ...

Hier is te denken aan de klassiekere lesvormen voor literatuurlessen,

               (introductie van de dichter, zijn/haar leven, stijl en thema’s, steeds aan de hand van toepasselijke gedichten die mooi worden voorgedragen of door de leerlingen worden gelezen)

maar je kunt het ook veel onorthodoxer aanpakken.

Je kunt ook voor de gelegenheid gekke, buitenlandse of andere dichters nemen die je normaal niet gebruikt.

De te gebruiken expressiemiddelen kun je uit je eigen vak halen, je kunt ook aan beeldende, ruimtelijke, toneel-, muziek- of cabaret-achtige dingen denken.

Naar aanleiding van een gedicht in een ‘niet-taal-vak’ terecht komen

                                   Zie ook: voorbeeldles "De slak die aan kon bellen"

a.         Je stelt een gedicht centraal dat een leidraad vormt voor wat je wilt gaan doen.

            (Je kunt er meer of minder omheen vertellen, het in ieder geval een paar keer laten horen, met tussendoor erover vertellen waar het over gaat en van wie het afkomstig is e.d., je kunt het ook van meet af aan hardop laten reciteren, want aan het eind van de dag zullen ze er ook weer wat mee moeten doen ...)

b.         Je gaat met je hoofdactiviteit aan de gang

            (Nu doe je dus iets met het vak van je keuze, liefst iets dat ook tot een verwerking, een ‘product’ leidt. Je gaat bij voorbeeld de machine echt bouwen die alleen in de fantasie van de dichter bestond.)

c.         Het product breng je voor de presentatie in verband met het gedicht

 

De presentaties van de groepen vinden plaats tijdens de twee schoolfeesten die op donderdag het derde en vierde uur gehouden worden.

               Hier treedt een logistiek probleem op: het klassenverband is verbroken.

Als randactiviteiten kan gedacht worden aan

          herhaling van de ‘nummers’ op de open dag, zaterdag

               (het gaat niet om volledigheid, één nummer en een tentoonstelling van de producten is ook al leuk)

          het optreden van een dichter aan de vooravond, op dinsdag

               (woensdag is er een voorlichtingsavond voor ouders van de tiende klassen)

          de mediatheekgroep wil graag een boekenmarkt organiseren van alle overtollige boeken

De keuze van de groepen kan bijvoorbeeld na de maandag of zelfs al de voorafgaande donderdag gebeuren, bij het koor, of aan het eind van het hoofdonderwijs, naar aanleiding van een presentatie van de werkgroepen door ons.

In ieder geval wordt er gekozen, zowel door leerlingen als door collega’s: er kan geen vrijblijvendheid zijn. De presentatie kan ook op schrift gedaan worden, dan kost het minder tijd, maar heeft het ook minder sfeer.

Misschien tot zo ver even, op dit moment.

De voorbeeldlessen (voor zover die gewenst zijn – ze zijn alleen stimulerend bedoeld en zeker niet betuttelend) volgen te zijner tijd, samen met het landelijke aanbod van voorbeeldlessen (door Marjoleine de Vos).

Je kunt nu al gaan uitkijken naar mogelijk materiaal.

 

Met hartelijke groet, Roelof Jan Veltkamp

Suggesties uit Creatief taalonderwijs (P. Dijkstra e.a.,Muusses, 1973) in steekwoorden

namen van dingen, planten, dieren, mensen, abstracta

klankspelletjes en geluiden

nabootsing in taal, bijvoorbeeld van verhaalfiguren, een poppenkastspelletje ed.

woordtegenstellingen

onzinrijmpjes, rijmklanken

woordenketting

transformaties in woorden, zinnen

zinnebeelden

raadsels

letterfiguren

componeren met woorden

vormgeving: kleur, vorm, materiaal

woordenrijtjes: gewoon, leuk/lekker, deftig, naar/vervelend/lelijk, mode en stopwoorden. Uit elk rijtje woord 1, daarna 2 etc. combineren tot een zin.
Met één van de zinnen een tekst/miniverhaaltje maken

associaties maken rond een woord, begrip. Verzamelen dus, ook met groter/kleiner schrijven etc. Hieruit bijvoorbeeld 5 woorden kiezen als bouwsteen voor een tekst.

schilderen met woorden: lang en hoog voor een hoogspringer, dik en zwart-wit voor een koe, etc. Nu dezelfde expressie maar dan met toevoegen van woorden, alles gewoon geschreven

klankwoorden: vanuit een drietal letters nieuwe woorden maken, bijvoorbeeld van pml of nbk zoveel mogelijk woorden maken. Van de mooiste betekenisomschrijvingen maken.
Na uitwisselen van de ‘nieuwe taal’ klankdichten schrijven

woorden bedenken voor onbenoemde begrippen of bekende woorden een andere betekenis geven

vreemde woordcombinaties maken (met behulp van onverwachte bijvoeglijke naamwoorden bijv)

wat zou er gebeuren als...

titels

teksten van (kinder-)liedjes of smartlappen als gedicht gaan lezen

n.a.v. tegelijkertijd gehoorde muziek

n.a.v. schilderij in de klas

n.a.v. getoond voorwerp

n.a.v. geur van iets

n.a.v. zelf gekozen foto of ansichtkaart uit een verzameling, uit tijdschriften of van thuis voor jezelf of voor de groep meegenomen

n.a.v. twee tegengestelde foto’s etc.

n.a.v. kijk- /observatieopdracht

n.a.v. natuurtocht met opdracht

n.a.v. diaserie, film (vooraf: gesprek over het thema, eigen ervaringen al noteren)

n.a.v. tegengestelde stemmingen in bijvoorbeeld bewegingsoefeningen, lichtstanden, theaterfragmenten, reclames, andere bestaande teksten

uitgaande van overkoepelende bouw-elementen voor jouw vak en de poëzie, zoals ritme, klank, beelden, herhaling, vernieuwing, woorden / zinnen / strofen

uitgaande van overkoepelende inhouds-elementen voor jouw vak en de poëzie, zoals metamorfose, levenskracht, lef, zwart-wit, Oost-West, Droom, Illusie , Toekomst

Enkele overwegingen, persoonlijke overtuigingen en gewoonten mijnerzijds

Bij bovenstaande ingangen zou je steeds een (speelse, motiverende) introductie kunnen verzinnen die de leerlingen passief kunnen ondergaan

Daarna doe je in het al geschapen kader wat opwarmingsoefeningen waarbij vooral zonder commentaar van goed/slecht vooral de speelsheid, snelheid, en de concentratie gescherpt worden

De hoofdzaak betreft een nieuwe ervaring op een van bovenstaande gebieden, deze moet de leerling op een eigen spoor brengen, vanaf nu gaan de ervaringen ook steeds individueler worden. Belangrijk hier is materiaal verzamelen, dus veel, het gaat niet om goed of wezenlijk.

Bij de verwerking wordt uit de ruwe verzameling gekozen wat interessant is en gaat de leerling in eigen tempo en met eigen aanpak toewerken naar het gevraagde product. Hieraan heb je veel, weinig of geen ‘eisen’ aan gesteld door het hele voortraject. Nu is de persoonlijke keuze, het aansluiten bij de eigen kern van belang. Geen vrijblijvendheid meer hier, en ook geen abstracte teksten over dingen die ze zelf nooit hebben meegemaakt. Je moet de dingen zelf kunnen proeven, horen, zien als je ze opschrijft cq. leest, dan blijven de leerlingen het beste bij zichzelf, denk ik, en worden de teksten het boeiendst.

Voor het bijschaven kun je misschien heel goed groepjes maken. Samen elkaars teksten ‘verbeteren’, vervolmaken, van een titel voorzien, de zwakke stukken eruit weglaten. Eerder moet je steeds gezegd hebben dat een eenmaal opgeschreven tekst niet heilig is, ook dichters veranderen en knutselen eraan, sommigen blíjven variëren. Je helpt elkaar met (positief bedoeld) commentaar. Waar is deze tekst spannend, boeiend, waar raak je afgeleid, waarom is de beleving ‘bleek’, etc. Deze vragen kun je ook van een aantal teksten klassikaal stellen, als de kinderen zich maar niet afgewezen voelen, maar juist geholpen. Op zo’n groepsproduct kunnen ze trots zijn. Vergeet ook niet de spelling te laten controleren door deskundige leerlingen, zodat iedereen zeker weet voordat het net gemaakt wordt, dat er geen fouten meer in zitten.

Laat denken over hoofdletters wel/niet, leestekens allemaal/de noodzakelijkste/helemaal niet, over regeleindes. Veel eerder al heb je natuurlijk al gewezen op de mogelijkheid van rijmloos dichten, alleen met medeklinkers of alleen met klinkers herhalen (alliteratie en assonantie naast/in plaats van eindrijm), daar kun je nu nog eens op terugkomen, etc. Je kunt ook vanuit een lezer laten denken: wat heeft die minimaal nodig, laat dat zoveel mogelijk weg, leg niet alles uit maar zorg dat de poëzie-lezer actief wordt! (In proza wordt vaak alles uitgelegd, in poëzie niet).

Dan komt de presentatie. Op papier (welk materiaal, kleur, vorm), op posters voor aan de muur bij het schoolfeest en op de Open dagen, in bundeltjes, in een klapper, etc.

Of hardop, gezamenlijk gereciteerd, gespeeld, gezongen? Hoe gaat dat op het schoolfeest?

Het mooi op ‘poster’ zetten kan natuurlijk heel goed aan het eind van de dag, de onderbouw dus om 12.30 uur, als huiswerk meegegeven worden als het individueel gebeurt. Dan hebben ze de rust, vaak ook mooi materiaal (ze kunnen gekleurd papier meenemen of zelf aanschaffen, ze kunnen in de winkels of op straat leuke afvalmaterialen vinden) en zo tot een originele vormgeving komen.

Bij een bundeling moeten ze waarschijnlijk op school blijven voor het overtypen in gelijke vormgeving, de volgorde, de afdelingstitels, de illustraties, de kleur van het kaft, het kopiëren, vouwen en nieten.

De volgende dag vindt het schoolfeest plaats. De keuzegroepen in klas 7 t/m 12 moeten zich op woensdag al daarop voorbereid hebben.

Een gedicht maken               Voorbeeldles "De tijd"

In het kort:

a. Je geeft de groep een gemeenschappelijke ervaring

(dat kan van alles zijn: van waarnemingsoefeningetjes zoals de wereld bekijken door een nauwe koker van opgerold papier, de klankimprovisatie die je met elkaar maakt, een duinwandeling, bekijken van een schilderij, toneel-achtige dingen, een kringgesprek over van alles)

b. Uit de aantekeningen die je daarbij hebt laten maken laat je kleine tekstjes maken

c. Deze worden aan elkaar voorgelezen, de goede eigenschappen ervan worden eruit gehaald en leveren dus tips op voor de volgende ronde.

            Deze cyclus herhaal je voor wat opwarmingstekstjes en tenslotte voor een grote tekst.

d.         Na terugkomst worden de grote teksten aan elkaar voorgelezen en kan een meer of minder verfijnd verbeter- en presenteerproces beginnen.

e. Daarna maak je afspraken voor de presentatie: op poster, hardop voor de zaal, of met

enige aankleding (decor, spel, muziek ...) voor de zaal

Voorbeeldles "De tijd"

Introductie

2000 jaar, hoe stel je je dat eigenlijk voor? Wie kan dat begrijpen, overzien, voelen? Het maakt duizelig als het heelal, wie erover praat gebruikt getallen en grootheden die allemaal ergens voor staan, maar die tegelijkertijd naar helemaal niets lijken te verwijzen. Niet naar enige voorstelbare tijd of afstand.

De dichteres die bij ons op school, Eva Gerlach, komt heeft in opdracht van de NRC een gedicht gemaakt over de millenniumwisseling:

Wat het is

Ik weet niet wat het is tijd

ik denk niet dat het er is

als ik op straat loop met wind op mijn wangen denk ik

dat het mijn ene oor in

mijn andere uit waait. Tijd die naast mij neerlegt

zoals je vel eenmaal per zeven jaar

dun naast je ligt in bed. Een manier van terug

naar wat er niet meer is, maar het is er toch: zo

als in je alles wat je schreef

verzameld is. Daarom is het

er nog niet echt. Alleen in je hoofd nergens anders

ligt het in strengen opgewikkeld. Tijd

waarmee je kunt springen, een touw

gerold om je handen zodat het nooit te lang nooit

te kort voor je is, in spin en daar hangt je broertje

dat geen zin had in leven, vlak naast het trapgat – ik dacht

als je je voet op het zand zet en je loopt verder,

als dan een krab aan je spoor zit een meeuw pikt de krab op

loopt je voet gewoon verder, geen tijd

voor iets anders dan plaats voor plaats, onverbaasd.

Kijk niet om,

je gaat struikelen, je blijft achter;

loop door, je brengt niets terug

                                                            Eva Gerlach

Eva Gerlach heeft ook veel n.a.v. andere foto’s geschreven, bijvoorbeeld van haar familie: vader en moeder, maar ook van haar dochtertjes.

Kijk eens naar een babyfoto van je opa of oma die daar tegenover je zit: 65 jaar geleden, is dat voorstelbaar? Welnee.

Dat de tijd voorbijgaat dat weten we wel, maar hoe te voelen dat er zelfs maar één jaar voorbij is met al zijn dagen, minuten, al zijn ochtenden en avonden, alle boterhammen die we gegeten hebben, gesprekken die we bij elkaar of door de telefoon voerden, staren door het raam waar buiten een koolmees bezig was, geen zin hebben om al op te staan, de geur van de zee, bijna aangereden door een auto, nat geworden op de fiets, gelachen, honderden artikeltjes gelezen, drie tandenborstels versleten – een jaar zit propvol tijd en leven en dat is meteen al onvoorstelbaar. En dan zou je je tweeduizend jaar moeten voorstellen.

In het leven van elk mens zijn er momenten waarop de dagelijkse lineaire tijd doorbroken wordt. Het zijn de verticale momenten waarop men iets méér ziet. Het zijn de gaten in de horizontale tijd,, geprivilegieerde momenten in het leven waarop men ziet dat de realiteit onbegrensd is. Die momenten zijn voor mij de momenten van een gedicht.

Dat zei de Argentijnse dichter Roberto Juarroz (1925-1995).

Deze dag

We gaan vandaag op het thema tijd gedichten maken. Daarvoor hebben we allemaal (?) een familie-album meegenomen met plaatjes van mensen die we kennen. We hebben misschien ook plaatjes meegenomen van het afgelopen jaar, de afgelopen eeuw, het afgelopen millennium. Die plaatjes zijn moment-opnamen, die misschien straks zo’n gat in de tijd kunnen blijken te zijn. Tijdmachines, waardoor je opeens de grote afstand in de lineaire tijd kan overbruggen.

NB: Je zou ook een heel andere uitwerking van dit thema kunnen geven, bijvoorbeeld via het gedicht ‘Tijd’ van Vasalis (‘Ik droomde dat ik langzamer leefde dan de oudste steen ...’) terecht komen op stenen, geologie e.d. en zo in nog veel oudere tijdperken kunnen komen. Dan een dag over geologie, met gedichten als verwerking van het beleefde.

Opwarming

Woordenrijtjes: gewoon, gloednieuw, ouderwets, tijdloos, modewoorden.  Uit elk rijtje woord 1, daarna 2 etc. combineren tot een zin. Met één van de zinnen een tekst/miniverhaaltje maken.

Bespreken: ‘rijke’, sterke momenten in de woordkeus. Het zintuiglijke, het herkenbare dat de tijd overbrugt, tijdmachine is. Of juist wat afstand schept, tijdsbewustzijn geeft.

Associatie-oefening. We hebben allemaal een vel papier dwars voor ons liggen. Straks schrijven we een woord in het midden op, en dat ga je daar omheen alle invallende associaties op schrijven, veel en snel, zonder bedenken of iets ‘klopt’, want bij deze oefening gaat het juist om het loslaten van de logica en de controle van het verstand.

Eerst doen we samen op het bord een voorbeeld. Wat valt je in bij ‘Driekoningen’? + opschrijven (ook in groter, kleiner etc.)

Nu zelf op ‘Egypte’.

Kies nu uit al je woorden (minstens twintig – rondlopen, daarbij kun je rustig hardop mee-associëren om ze verder te helpen) vijf ‘bouwstenen’ voor je volgende tekst. Probeer daarmee Egypte dichtbij te halen, een gat in de tijd te maken.

Bespreking zie boven.

Een voorbeeld van Ida G.M.Gerhardt uit De slechtvalk (1966):

DE GESTORVENE

Gij zijt gelijk een korrel in de grond

en bezig om in oogsten op te staan.

De stille tekenen zijn mij niet ontgaan.

Niets is onmogelijk. Harsverzegeld stond

in Chefrens pyramide een kruik met graan,

en een die na millennia het vond

zaaide ervan. ‘t Werd avond, het werd dag

over de Nijlstrook. – Tot hij de ochtend zag

dat zich de kiemplant uit de korrel wond.

Famile-album

Op foto’s staat vaak ontzettend veel. Als je er goed naar kijkt, dan ga je enorm veel zien. Je kiest straks één of twee foto’s die je goed bevallen en die plak je op papier.

Bekijk die foto’s eens heel goed en probeer dan wat je ziet, wat je voelt, wat je denkt onder woorden te brengen. Je kunt die woorden. gedachten, associaties, fantasieën, ideeën verspreid en groot/klein over het papier neerzetten.

Probeer beschrijvingen te geven van de sfeer van de foto’s en van hetgeen waar ze aan doen denken. Ook nu kun je weer belangrijke woorden groot schtrijven, nieuwe woorden maken of heel vreemde woordcombinaties om uit te drukken wat je denkt en wat in je opkomt.

Werk op een apart stuk papier een zevental van je ‘flarden’ nader uit. Maak er grotere zinnen van of juist kleiner. Probeer een paar van die invallen die je bij de vorige opdracht op papier hebt gezet te combineren tot een zin of een gedachtenconstructie.

Maak er nu een samenhangend gedicht van. Je mag nu alles weer veranderen, weglaten of fatsoeneren. Het kan zakelijk, poëtisch, persoonlijk of fantastisch worden. Bouw het rustig op uit de elementen die je al hebt, uitbreidend, uitproberend. Ook hardop laten klinken, de woorden proevend, kijk of je nog wat meer of minder raadsel voor de lezer wil inbouwen, of je liever wat minder rijmt, of juist wat toevoegt met dezelfde klinkers of met dezelfde beginmedeklinkers. Neem er de tijd voor, na de pauze gaan we voorlezen.

 In de kring leest ieder de gemaakte teksten voor.

Een voorbeeld van Eva Gerlach:

Dochter, naast korte schaduwen staan wij

op deze foto stil. Ik heb je gedragen,

lachend zweef je boven de kinderwagen

die met de hemel in de hoogste stand

tussen twee uithollingen balanceert.

Nooit hou ik op te kijken hoe het veert

terwijl je, wind mee, zachtjes krakend van

de lichte helling naar beneden rijdt.

 

Millenniumwisseling

Nu maken we eerst nog een nieuwe ronde maken met foto’s uit krant en tijdschrift over het jaar, de eeuw, het millennium. Dan gaan we daarna uit alle gemaakte teksten er één kiezen die we op poster zetten en die we morgen kunnen laten horen.

Dezelfde procedure als bij de familie-foto’s voor de volgende foto (‘s).

Voorbeelden: Eva Gerlach, p.34 en verder:

 Voor het bijschaven kun je misschien heel goed groepjes maken. Samen elkaars teksten ‘verbeteren’, vervolmaken, van een titel voorzien, de zwakke stukken eruit weglaten. Eerder moet je steeds gezegd hebben dat een eenmaal opgeschreven tekst niet heilig is, ook dichters veranderen en knutselen eraan, sommigen blíjven variëren. Je helpt elkaar met (positief bedoeld) commentaar. Waar is deze tekst spannend, boeiend, waar raak je afgeleid, waarom is de beleving ‘bleek’, etc. Deze vragen kun je ook van een aantal teksten klassikaal stellen, als de kinderen zich maar niet afgewezen voelen, maar juist geholpen. Op zo’n groepsproduct kunnen ze trots zijn. Vergeet ook niet de spelling te laten controleren door deskundige leerlingen, zodat iedereen zeker weet voordat het net gemaakt wordt, dat er geen fouten meer in zitten.

Laat denken over hoofdletters wel/niet, leestekens allemaal/de noodzakelijkste/helemaal niet, over regeleindes. Veel eerder al heb je natuurlijk al gewezen op de mogelijkheid van rijmloos dichten, alleen met medeklinkers of alleen met klinkers herhalen (alliteratie en assonantie naast/in plaats van eindrijm), daar kun je nu nog eens op terugkomen, etc. Je kunt ook vanuit een lezer laten denken: wat heeft die minimaal nodig, laat dat zoveel mogelijk weg, leg niet alles uit maar zorg dat de poëzie-lezer actief wordt! (In proza wordt vaak alles uitgelegd, in poëzie niet).

Dan komt de presentatie. Op papier (welk materiaal, kleur, vorm), op posters voor aan de muur bij het schoolfeest en op de Open dagen, in bundeltjes, in een klapper, etc.

Of hardop, gezamenlijk gereciteerd, gespeeld, gezongen? Hoe gaat dat op het schoolfeest?

Afspraken, huiswerk, opruimen, napruttelen, etc.

Naar aanleiding van een gedicht

in een ‘niet-taal-vak’ terecht komen

                                   Voorbeeldles "De slak die aan kon bellen"

In het kort:

a.         Je stelt een gedicht centraal dat een leidraad vormt voor wat je wilt gaan doen.

            (Je kunt er meer of minder omheen vertellen, het in ieder geval een paar keer laten horen, met tussendoor erover vertellen waar het over gaat en van wie het afkomstig is e.d., je kunt het ook van meet af aan hardop laten reciteren, want aan het eind van de dag zullen ze er ook weer wat mee moeten doen ...)

b.         Je gaat met je hoofdactiviteit aan de gang

            (Nu doe je dus iets met het vak van je keuze, liefst iets dat ook tot een verwerking, een ‘product’ leidt. Je gaat bij voorbeeld de machine echt bouwen die alleen in de fantasie van de dichter bestond. Of je onderzoekt de verschillende kwaliteiten van water uit de zee, een kanaal, een stromend riviertje etc., bij gedichten rond het thema ‘water’, etc.)

c.         Het product breng je voor de presentatie in verband met het gedicht

 

Introductie

Weet iedereen hoe een eenvoudige deurbel werkt?

Nee? Dan gaan we dat eens bekijken + demonstratie en uitleg van alle onderdelen van de deurbel die evt. al als demonstratiebordje gemaakt is.

Wat gaan we vandaag doen

Er is een lang gedicht van Leo Vroman waarin zo’n deurbel een belangrijke rol speelt. We hebben vandaag een praktisch groepje gemaakt om dat gedicht op te kunnen voeren met behulp van een zeer sterk uitvergrote deurbel. Dat mag best een speelse variatie erop zijn, dat moeten we straks maar gaan bedenken. maar eerst werken we aan het opzeggen van het gedicht, want daar doet iedereen aan mee en dat moet een beetje goed klinken.

Opwarming

We gaan in de kring staan.

Nu gaan we eerst eens elkaar nazeggen. Buurman, jij kiest een woord en dat woord herhaal ik en dan mijn andere buurman en dan zo de kring rond.

Nu geven we een woord

Zo, nu nemen we het zinnetje: ‘Kan dat niet anders klinken?’ en dat geven we ook door, maar dan moet iedereen datzelfde zinnetje inderdaad anders laten klinken.

Nu maken we groepjes van drie en die krijgen een vaste tekst, maar ieder stelt zich er een andere situatie bij voor, dus als je dat straks laat horen en zien (je mag er een ‘decortje’ bij gebruiken) dan blijkt dat dezelfde woorden heel anders kunnen klinken, afhankelijk van hoe je ze zegt, hoe lang je wacht, wie ze zegt, etc.

De tekst luidt: (op het bord zetten)

– Wat is het stil hier

– Ja

– Wat is hier aan de hand?

– Niks

– Nou, ajuus

(Of een ander zelf gemaakt of gevonden tekstje, als het maar veel mogelijkheden geeft)

Bij de bespreking vooral de gebruikte expressiemiddelen en -mogelijkheden naar voren halen, opdat de volgende recitatieopdracht (van de slak) zo expressief mogelijk wordt.

"De slak die aan kon bellen"

Ik verdeel de tekst van Leo Vroman in stukken en elk drietal bereidt een stuk voor om aan de anderen te laten horen. Je kunt het gezamenlijk zeggen, of om de beurt, hard en zacht, met veel of weinig nadruk op het eind van de regel, je moet het een paar keer hardop oefenen. Het verhaaltje komt op het volgende neer: een ongewone slak schijnt een beetje te kunnen denken, maar is heel ongelukkig. Hij gaat op een dag op weg en belt overal aan. Jullie krijgen pas van elkaar de tekst als geheel te horen, net als het publiek morgen, dan kun je goed inleven in wat er goed overkomt en wat minder. Dus nu ieder groepje met je tekst in een andere ruimte, hardop oefenen.

Zal ik je eens vertellen

– als je het nog niet kent –

van de slak die aan kon bellen?

Het verhaal is hier zeer bekend.

Daar was een huisjesslak

waarvan enkele zenuwcellen

neem ik aan, verschoven

of misdeeld moeten zijn geweest.

In ieder geval, het beest

scheen te denken, en bijna te geloven

met het midden van zijn voet,

waar andere slakken slechts goed

mee zitten, of desnoods kruipen.

Hij echter had edeler delen,

naar de geaardheid van

zijn stilte te oordelen;

wanner hij nl. even geschrokken

van eigenlijk geen ruzie

zich een dag had teruggetrokken

kwam hij bijna tot een conclusie

in het hart van zijn spiralen,

leek het.

Als dit wie weet geniale

kluitje de kop uitstak

leek het slechts een droevige slak

die wat mede te delen had

maar nooit wist wat.

Tot iets lachte op een keer.

Toen deed hij ook dit niet meer.

Zijn vrienden en vriendinnen

kwamen nu niet meer binnen.

Door zijn gele en rosse wand

zag hij ze soms verschuiven,

en met hun horens wuiven

als stonden zij in brand.

met hun slappe, kale kuiven.

En aan zijn andere kant

zag hij zijn lang, zacht hart

aan zijn vage vliezen rukken.

Ruk alles voor mijn part

maar aan vale bruine stukken

probeerde hij dan te denken.

Ook dit wilde niet lukken,

laat staan dan ook gebeuren,

het bleef bij beelden en geuren.

               -.-

Was het zijn overvolle

woning? Zijn eigen reuk?

Een onbereikbare jeuk?

Op een vrijdag liet hij zich rollen,

en op een zaterdag

begon hij, met een deuk

in zijn huisje, rond te hollen,

zodat hij er uitzag

als een bijzonder kleine

natte haas met zichzelf

nog op de rug ook.

               -.-

Zondag ruste hij even.

               -.-

Maandag kwam hij aan

op de gevel van Krugerlaan

nummer zeven.

Hij beklom de deurpost.

Hij bereikte het knopje

waaronder twee polen

(plus en min) verscholen,

en hij ;legde het vlezig kopje

erop, en likte een beetje.

Een kortsluitinkje ontstond,

en verweg, door een elektromagneetje,

sulde een stroompje rond,

en vormde een wisselveld

dat aan een hefboompje trok,

en dat sloeg op een kleine klok –

kortom, er werd gebeld.

Een dienstmaagd begon te lopen.

Ze deed de voordeur open.

De slak hief het zwarte gezicht.

De deur sloeg kwaad dicht.

               -.-

Dinsdag en woensdag: regen.

Maar daar kon hij wel tegen:

Krugerlaan nummer negen.

Of het koper hem zo goed smaakte?

Of de schok hem gelukkiger maakte?

Waarom hij dit ook deed,

hij had weer beet.

Een klein meisje dit keer.

Het zag hem, zei ‘dag meneer’.

Ook deze deur ging dicht,

maar weer open, even later:

het kind, met een glaasje water.

Ze hield het voor zijn gezicht,

hoewel ze bedremmelend voelde

dat hij dit niet bedoelde.

‘Welterusten dan maar’

zei ze. En vandaar,

donderdag: nummer elf.

Wel, wel, mevrouw zelf.

Of liever: donderdag: nummer elf,

verzin de rest maar zelf.

Een bel en een slak voor op het toneel

Zo, nu we een idee hebben hoe onze tekst zou kunnen klinken gaan we de bel en de slak maken. In twee groepjes:

– verzinnen

– een plan kiezen en uitwerken

– materiaal verzamelen/kopen

– uitvoeren

Presentatie

De bel en de slak geven misschien nieuwe ideeën voor het reciteren van het gedicht, anders kan het (ongemerkt veranderde) residu van vanmorgen gebruikt worden, zodat inderdaad iedereen zich laat horen.

Opruimen, afspraken, huiswerk, napruttelen, etc.

 

Een gedicht (-cyclus) vorm geven

                                  

Hier is te denken aan de klassiekere lesvormen voor literatuurlessen,

               (introductie van de dichter, zijn/haar leven, stijl en thema’s, steeds aan de hand van toepasselijke gedichten die mooi worden voorgedragen of door de leerlingen worden gelezen)

maar je kunt het ook veel onorthodoxer aanpakken.

Je kunt ook voor de gelegenheid gekke, buitenlandse of andere dichters nemen die je normaal niet gebruikt.

De te gebruiken expressiemiddelen kun je uit je eigen vak halen, je kunt ook aan beeldende, ruimtelijke, toneel-, muziek- of cabaret-achtige dingen denken.

Geen voorbeeldles

 

Dieper ingaan op één gedicht en andere tips

Zie de Lessuggesties voor het Basis- en Voortgezet onderwijs door Marjoleine de Vos.

Gedichtendag woensdag

Een heleboel is al gebeurd en besloten: aan de vooravond, op dinsdag komt Eva Gerlach, er is publiciteit geregeld, de Schoolfeesten op donderdag liggen vast, voor de Open Dagen wordt al hard gewerkt, en nu gaat het over de projecten op woensdag, wanneer de gewone lessen vervallen in het kader van de GEDICHTENDAG.

Projecten voor de klassen 9 – 10 – 12

Heb je al een plan: hoera! Wil je nog inspiratie of hulp, dan zijn er verschillende mogelijkheden:

a. Praten met collega’s die ideeën hebben, bijvoorbeeld Roelof Jan

b. Voorbeeldlessen (van Roelof Jan)

c. Lessuggesties (van Marjoleine de Vos)

d. Neuzen in boekjes hierover

Voor iedereen komt een bloemlezing uit de gedichten van Eva Gerlach en is er een A4-tje met tips.

Wil je je plannen zo spoedig mogelijk aan elkaar bekend maken (er komt een lijst in de lerarenkamer tijdens de vergadering van maandag zodat collega’s die nog samenwerking zoeken weten wie ze nog kunnen vragen?

Bij een maximale groepsgrootte van 12- 15 leerlingen zijn er 14 projecten nodig.

Op donderdag presenteren we om ca. 12.15 uur onze projecten en kort daarna kunnen de leerlingen zich opgeven (bij iemand die de klassen rondgaat bijvoorbeeld).

Centraal bestellen we verschillende kleuren A-4 velletjes. Ander materiaal kun je zelf regelen.