DISCUSSIE     (lesduur: 1 lesuur)

 

Start van de les (theorie):

 

Ik vertel de leerlingen dat we het vandaag gaan hebben over de discussie. Ik vertel de leerlingen dat de discussie een soort gevecht is. Geen gevecht met gebroken neuzen en blauwe ogen, maar een gevecht met woorden. Je probeert met woorden van je tegenstander te winnen. De bedoeling is eigenlijk de tegenstander met een mond vol tanden te laten staan. Hoe je het van je tegenstander in een discussie kunt winnen, ga ik je leren in de discussielessen.

 

Aantekening:

 

Ik vertel de leerlingen dat voordat we een discussie kunnen beginnen eerst een discussiestandpunt moeten hebben. De term discussiestandpunt schrijf ik op het bord en ik geef daarbij een voorbeeld, bijv: ‘Asielzoekers moeten in Nederland kunnen komen wonen.’ De leerlingen schrijven de aantekening mee in het schrift. Probeer eventuele voortijdige ‘discussies’ c.q. borrelpraatopmerkingen over het eerste standpunt in de kiem te smoren. Ik vertel de leerlingen dat als we een standpunt hebben ingenomen we daar onze gedachten over moeten laten gaan en kijken hoe wij daar over denken. Met andere woorden wat is je mening. Ik vraag aan de leerlingen wat een mening is (meestal is er wel een leerling die het weet) en leg ze meteen het verschil uit tussen mening en feit.

 

Discussiestandpunt

 

 


                              Mening           Meningsverschil

                                 

 

Ik vertel de leerlingen dat je je mening aannemelijker kunt maken door goede argumenten aan te voeren. De term argumenten zal niet voor iedereen duidelijk zijn ook al kennen ze het woord. Ik verduidelijk dit meestal door een analoog voorbeeld.

(Discussiestandpunt: Roken moet verboden worden – argument: Je gaat er dood aan.)

 

Discussiestandpunt

 

 


                              Mening           Meningsverschil

 

                                                                    

                                                 Argumenten   - sterke argumenten   (feiten)

                                                                                    - zwakke argumenten (niet bewezen)

 

 

Als de leerlingen hun mening hebben gevormd over een bepaald discussiestandpunt kun je gaan kijken of er in de groep voor- en tegenstanders zijn. Ik vertel de leerlingen dan ook altijd dat er pas gediscussieerd kan worden als de klas in twee ongeveer even grote groepen van voor- en tegenstanders verdeeld kan worden. Als er geen meningsverschil is kun je niet discussiëren, want dan is iedereen het met elkaar eens.

 

 

Stapsgewijs naar de discussie

Ik vertel de leerlingen dat dit de theorie was en dat we nu stapsgewijs naar de discussie toe gaan werken.

 

 

 

 

Stap 1.

Ik vertel de leerlingen dat we nu discussiestandpunten moeten gaan verzinnen. Ik schrijf er een aantal op het bord en vertel er nog een keer bij dat ze discussiestandpunten moeten verzinnen waarvan ze denken dat er voor- en tegenstanders in de klas zijn. De leerlingen bedenken en schrijven voor zichzelf (zelfwerkzaamheid) een of twee discussiestandpunten in hun schrift.

Voorbeelden voor op het bord:

-         De euro moet verdwijnen en de gulden moet terug.

-         Het dragen van sexy kleding moet op scholen verboden worden.

-         Woonwijken moeten autovrij worden

-         Internet is verslavend.

 

Stap 2.

Ik ga de leerlingen een voor een af en vraag ze naar de discussiestandpunten. Regelmatig peil ik even in de klas of er voor- en tegenstanders zijn d.m.v. het opsteken van een vinger.

Goede discussiestandpunten schrijf ik op het bord.

 

Stap 3.

Ik begin op het bord met het eerste discussiestandpunt en vraag aan de leerlingen wie voor is en wie tegen. Ik vertel aan de leerlingen die voorstander zijn van het standpunt, dat ze zoveel mogelijk argumenten moeten gaan bedenken en opschrijven in hun schrift waarom ze voor het standpunt zijn. De leerlingen die tegen zijn doen hetzelfde, maar schrijven argumenten op in hun schrift waarom ze tegen zijn. Vertel de leerlingen dat ze zoveel mogelijk argumenten proberen te bedenken.

 

Stap 4.

Als de leerlingen klaar zijn (2/3 minuten), wijs ik een voorstander en een tegenstander aan.

 

Tip: Probeer een beetje uit te vogelen welke leerling(en) een beetje assertief zijn en neem deze als eerste. Zo kunnen de andere leerlingen een beeld krijgen van de bedoeling. Je zult merken dat de leerlingen in het begin erg passief zijn, maar naarmate je het vaker doet zullen er steeds meer leerlingen actief deelnemen.

 

De voor- en tegenstander gaan beide staan.

 

Stap 5.

Het is nu zaak heel goed uit te leggen wat jouw bedoelingen zijn. Ik vertel de leerlingen dat de twee leerlingen die staan ook de enige zijn die tijdens de discussie praten. Als andere leerlingen zich ermee willen bemoeien, dan moeten ze een vinger opsteken.

Als ik denk dat de discussie doodloopt of zich ophoudt in een vicieuze cirkel wijs ik een leerling aan die zijn vinger opsteekt. Deze gaat staan en noemt de naam van diegene waarmee hij of zij wil discussiëren. Degene die niet genoemd wordt gaat zitten. Zo zijn er altijd hoogstens twee mensen die staan en aan het discussiëren zijn.

 

De leerling die tegen is begint traditiegetrouw en moet in de richting van de andere leerling praten en dus niet in de richting van de docent.

 

-         De leerling begint: ik ben tegen discussiestandpunt, omdat argument.

 

 

Tip: Ik vertel de leerlingen dat ik tijdens de discussie altijd een soort van   aan/uit   knop heb, die ik op het bord teken. De knop staat aan het begin van de discussie aan, maar zodra er drie strepen boven staan gaat de knop uit en stoppen we met de discussie. Stoppen met de discussie houdt in: terug naar het boek en opdrachten maken uit het boek!