afnemen

[onregelmatig werkwoord]
  1. het bij hem weghalen
    vb:de leraar heeft hem het mes afgenomen
    synoniem: afpakken
  2. hem iets laten doen
    vb:ik ga jullie een examen afnemen
  3. minder of kleiner worden
    vb:de belangstelling voor deze school neemt af
    tegenstelling: toenemen
  4. kopen
    vb:hoeveel boeken hebben ze afgenomen?
  5. met een doek schoonmaken
    vb:wil jij die tafel even afnemen?
Meer informatie bij:
af belangstelling de deze doek doen een even examen hebben hem hoeveel het iets ik jullie jij kopen laten leraar mes met minder of school schoonmaken tafel voor wil worden ze
onregelmatig werkwoord: af-ne-men
ik neem af
jij/u neemt af
hij/zij neemt af
wij/zij/jullie nemen af
ik/jij/u/hij/zij nam af
wij/zij/jullie namen af
hij heeft afgenomen
woordenindex, inhoud