bezem
[zelfstandig naamwoord]
- werktuig met lange steel, om te vegen
vb:met deze bezem veeg ik de stoep schoon
- hij heeft de bezem erdoor gehaald
[opruiming gehouden]
- nieuwe bezems vegen schoon
[wie pas ergens werkt heeft vaak een frisse kijk op de zaak]
Meer informatie bij:
de deze een ergens hij ik met om op schoon stoep te vaak werktuig wie zaak
- zelfstandig naamwoord: be-zem
- de bezem
de bezems
het bezempje
woordenindex, inhoud