bezem

[zelfstandig naamwoord]
  1. werktuig met lange steel, om te vegen
    vb:met deze bezem veeg ik de stoep schoon
    1. hij heeft de bezem erdoor gehaald [opruiming gehouden]
    2. nieuwe bezems vegen schoon [wie pas ergens werkt heeft vaak een frisse kijk op de zaak]
Meer informatie bij:
de deze een ergens hij ik met om op schoon stoep te vaak werktuig wie zaak
zelfstandig naamwoord: be-zem
de bezem
de bezems
het bezempje
woordenindex, inhoud