bezet

[bijvoeglijk naamwoord]
  1. in gebruik door iemand anders
    vb:de toilet is bezet
    1. ze zijn elke avond bezet [ze hebben elke avond veel te doen]
  2. een ander land of een andere groep is er de baas
    vb:dit gebied is bezet door de moslims
Meer informatie bij:
ander anders avond baas de dit doen door er een gebied gebruik groep hebben iemand in land of te toilet veel ze
bijvoeglijk naamwoord: be-zet
woordenindex, inhoud