bij [2]

[zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord]
  1. insekt dat honing maakt en kan steken
    vb:de bijen zwermden om de korf
    1. een bezige bij [iemand die altijd iets aan het doen is]
  2. bij kennis, wakker
    vb:na de operatie was hij al snel weer bij
  3. net zover als de anderen
    vb:ik ben nog niet bij met m'n huiswerk
  4. slim, met een vlug verstand
    vb:Iris is goed bij
Meer informatie bij:
al als altijd aan dat de doen en een hij huiswerk het iemand iets ik kennis met na niet nog om operatie slim snel steken verstand vlug wakker weer zover
zelfstandig naamwoord: bij
de bij
de bijen
het bijtje
bijvoeglijk naamwoord: bij
woordenindex, inhoud