bij [2]
[zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord]
- insekt dat honing maakt en kan steken
vb:de bijen zwermden om de korf
- een bezige bij
[iemand die altijd iets aan het doen is]
- bij kennis, wakker
vb:na de operatie was hij al snel weer bij
- net zover als de anderen
vb:ik ben nog niet bij met m'n huiswerk
- slim, met een vlug verstand
vb:Iris is goed bij
Meer informatie bij:
al als altijd aan dat de doen en een hij huiswerk het iemand iets ik kennis met na niet nog om operatie slim snel steken verstand vlug wakker weer zover
- zelfstandig naamwoord: bij
- de bij
de bijen
het bijtje
- bijvoeglijk naamwoord: bij
woordenindex, inhoud