buurt

[zelfstandig naamwoord]
  1. dichtbij
    vb:we wonen in de buurt van het station
  2. groep huizen die bij elkaar staan
    vb:het is feest in onze buurt
Meer informatie bij:
de dichtbij elkaar feest groep het in staan station van we wonen
zelfstandig naamwoord: buurt
de buurt
de buurten
het buurtje
woordenindex, inhoud