doen

[onregelmatig werkwoord]
  1. eraan werken, het uitvoeren
    vb:wie doet de vaat vanavond?
    1. iets van hem gedaan krijgen [ervoor zorgen dat hij het doet]
    2. zo gezegd zo gedaan [zoals we het afgesproken hadden doen we het]
    3. niets aan te doen! [er is niets aan te veranderen]
    tegenstellingen: laten nalaten
  2. het werk verrichten waarvoor het bedoeld is
    vb:de auto doet het weer
    synoniemen: functioneren werken
    tegenstelling: weigeren
  3. veroorzaken dat het gebeurt
    vb:dat doet me denken aan vroeger
    synoniem: laten
  4. maken dat het erin of erop gaat
    vb:ik doe suiker in mijn koffie
algemene uitdrukkingen:
  1. iemand een plezier doen [ervoor zorgen dat hij plezier heeft]
  2. ik kon er niets aan doen [het was mijn schuld niet]
  3. doen alsof [toneelspelen]
  4. dat doet er niet toe [dat is onbelangrijk]
  5. ik heb met hem te doen [ik heb medelijden met hem]
  6. daar is het haar om te doen [daar doet ze het voor]
  7. voor zijn doen [in vergelijking met hoe hij anders is]
  8. het kind is uit zijn doen [in de war]
  9. zijn doen en laten [zijn manier van leven]
  10. een poging doen [het proberen]
Meer informatie bij:
alsof anders aan dat de daar denken er en een hem hij hoe het iemand iets in ik kind koffie krijgen laten maken manier medelijden met me mijn niet niets om of plezier proberen schuld suiker te toe uit uitvoeren vaat van vanavond veranderen vergelijking veroorzaken voor vroeger verrichten we weer werk werken wie ze zo zoals zorgen
onregelmatig werkwoord: doen
ik doe
jij/u doet
hij/zij doet
wij/zij/jullie doen
ik/jij/u/hij/zij deed
wij/zij/jullie deden
hij heeft gedaan
woordenindex, inhoud