door

[voorzetsel]
  1. van het ene uiteinde naar het andere
    vb:we liepen door de tuin naar de straat
  2. vanuit een opening
    vb:we keken door het raam naar binnen
  3. ermee gemengd
    vb:er zit al suiker door die pap
  4. om aan te geven wie iets doet
    vb:hij wordt door die leraar gepest
algemene uitdrukkingen:
  1. door de week [op werkdagen]
  2. door de eeuwen heen [gedurende vele eeuwen]
  3. door middel van [met]
Meer informatie bij:
al aan binnen de er een gedurende geven heen hij het iets leraar met middel naar om op opening raam straat suiker te tuin van vanuit we week wie
voorzetsel: door
woordenindex, inhoud