een

[lidwoord, telwoord, bijvoeglijk naamwoord]
  1. geeft aan dat het woord erachter niet precies aangeduid wordt
    vb:ik heb daar een jongen zien lopen
    1. de een of ander nam mijn tas mee [iemand nam mijn tas mee]
    2. een dag of wat geleden [een paar dagen geleden]
  2. getal 1
    vb:je mag nog één keer raden
    1. een voor een doken ze in het water [na elkaar]
    2. dat lukt niet een twee drie [niet meteen]
    3. het heeft aan een stuk door geregend [het heeft voortdurend geregend]
  3. helemaal met elkaar verbonden
    vb:man en vrouw zijn een
    tegenstellingen: apart afzonderlijk
algemene uitdrukkingen:
  1. het pad was een en al blad [er lagen overal bladeren]
  2. er waren me daar een mensen [er waren erg veel mensen]
Meer informatie bij:
al ander aan blad dat de daar dag door er en elkaar erg geleden getal helemaal het iemand in ik je jongen keer lopen man mee met meteen me mijn na niet nog overal of paar precies stuk veel voor voortdurend vrouw wat water woord ze zien
lidwoord: een
telwoord: een
bijvoeglijk naamwoord: een
woordenindex, inhoud