hart
[zelfstandig naamwoord]
- orgaan in je borst dat het bloed door je lichaam pompt
vb:de dokter zei dat haar hart regelmatig klopte
- hem iets op het hart drukken
[het nadrukkelijk tegen hem zeggen]
- heb het hart niet!
[waag het niet!]
- iemand een hart onder de riem steken
[hem moed inspreken]
- ik kan het niet over mijn hart verkrijgen
[ik kan het alsmaar niet doen]
- wat heb je op je hart?
[waarover wil je praten?]
- je hart bij iemand uitstorten
[hem al je moeilijkheden vertellen]
- het gaat me aan het hart
[ik vind het heel jammer]
- zij heeft een hart van goud
[is erg vriendelijk en behulpzaam]
- met hart en ziel
[met veel inzet en overtuiging]
- hij heeft maar een klein hartje
[hij durft niet veel]
- je kunt er je hart aan ophalen
[je kunt er enorm van genieten]
- hij heeft hart voor de zaak
[doet er erg zijn best voor]
- van harte
[gelukwens bij verjaardag of ander feest]
- ik draag hem een warm hart toe
[ik mag hem graag]
- het hart klopte in mijn keel
[ik was erg bang]
- ik hou mijn hart vast
[ik maak me zorgen, ik ben bang]
- hem op het hart trappen
[hem pijn doen met iets wat je zegt]
- centrum, binnenste
vb:hij woont in het hart van de stad
- hartje zomer
[middenin de zomer]
Meer informatie bij:
al ander aan bang behulpzaam best bloed borst centrum dat de doen dokter door drukken er en een enorm erg feest genieten graag heel hem hij het iemand iets in inzet ik jammer je keel klein lichaam maar met moed me mijn niet onder op ophalen orgaan of pijn praten regelmatig stad steken tegen toe van vast veel verkrijgen vertellen voor vriendelijk warm wat wil zaak zeggen ziel zij zomer zorgen
- zelfstandig naamwoord: hart
- het hart
de harten
het hartje
woordenindex, inhoud