horen

[regelmatig werkwoord]
  1. het met je oren waarnemen
    vb:ik hoor dat er iemand aan komt lopen
    1. laat eens van je horen! [stuur eens een bericht]
    2. ik heb het van horen zeggen [anderen hebben het me verteld]
    3. wie niet horen wil, moet maar voelen [als je niet gehoorzaamt krijg je klappen]
    4. horen en zien vergaat je [het is een vreselijke herrie]
    synoniem: vernemen
  2. wat gepast is
    vb:je hoort in de kerk niet zo hard te praten
    synoniem: behoren
  3. bij iemand of iets passen
    vb:die kop en schotel horen bij elkaar
Meer informatie bij:
als aan bericht dat de er en een eens elkaar hard hebben het iemand iets in ik je kerk kop laat lopen maar met me niet of passen praten schotel te van voelen wat wie wil zeggen zien zo
regelmatig werkwoord: ho-ren
ik hoor
jij/u hoort
hij/zij hoort
wij/zij/jullie horen
ik/jij/u/hij/zij hoorde
wij/zij/jullie hoorden
hij heeft gehoord
woordenindex, inhoud