hoogte

[zelfstandig naamwoord]
  1. afstand van onderste tot bovenste punt
    vb:de hoogte van dit huis is zeven meter
    1. uit de hoogte doen [op anderen neerkijken]
    2. tot op zekere hoogte [niet helemaal]
    3. hem op de hoogte brengen [hem dat vertellen]
    4. ik kan geen hoogte van hem krijgen [kom er niet achter hoe hij precies is]
Meer informatie bij:
afstand achter brengen dat de dit doen er geen helemaal hem hij hoe huis ik krijgen meter niet op precies punt tot uit van vertellen zeven
zelfstandig naamwoord: hoog-te
de hoogte
de hoogten of hoogtes
woordenindex, inhoud