keel

[zelfstandig naamwoord]
  1. wat achterin je mond zit
    vb:toen ik slikte had ik pijn in mijn keel
    1. het kind zette een keel op [begon hard te huilen]
    2. het hangt mij de keel uit [ik heb er genoeg van]
    3. ik kon het niet door mijn keel krijgen [ik kon het niet eten]
Meer informatie bij:
de door er een eten genoeg hard het huilen in ik je kind krijgen mij mond mijn niet op pijn te toen uit van wat
zelfstandig naamwoord: keel
de keel
de kelen
het keeltje
woordenindex, inhoud