licht [2]

[zelfstandig naamwoord]
  1. lamp
    vb:wil jij het licht uitdoen?
  2. wat uit de zon of uit een lamp straalt
    vb:deze lamp geeft veel licht
    1. ze gunt hem het licht in de ogen niet [ze gunt hem niets]
    2. er gaat me een licht op [opeens weet ik het]
    3. dat werpt een nieuw licht op de zaak [daardoor gaan we er anders tegenaan kijken]
Meer informatie bij:
anders dat de deze er een gaan hem het in ik jij kijken lamp me niet niets nieuw op opeens of uit uitdoen veel wat we wil zaak ze zon
zelfstandig naamwoord: licht
het licht
de lichten
het lichtje
woordenindex, inhoud