licht [2]
[zelfstandig naamwoord]
- lamp
vb:wil jij het licht uitdoen?
- wat uit de zon of uit een lamp straalt
vb:deze lamp geeft veel licht
- ze gunt hem het licht in de ogen niet
[ze gunt hem niets]
- er gaat me een licht op
[opeens weet ik het]
- dat werpt een nieuw licht op de zaak
[daardoor gaan we er anders tegenaan kijken]
Meer informatie bij:
anders dat de deze er een gaan hem het in ik jij kijken lamp me niet niets nieuw op opeens of uit uitdoen veel wat we wil zaak ze zon
- zelfstandig naamwoord: licht
- het licht
de lichten
het lichtje
woordenindex, inhoud