met
[voorzetsel, bijwoord]
- iets of iemand erbij
vb:we gaan met Peter naar het strand
- met dank aan Jan de Wit
[wij bedanken hem]
- met wie spreek ik?
[wie is aan de telefoon?]
- tot en met 3 april
[voorbij die datum]
tegenstelling: zonder
- algemene uitdrukkingen:
-
- gebruik je alcohol? met mate
[weinig]
- ze zijn met moeite geslaagd
[ze moesten er veel voor doen]
- met ingang van 1 januari
[vanaf die datum]
Meer informatie bij:
alcohol april aan bedanken de dank datum doen er en gaan gebruik hem het iemand iets ingang ik januari je mate moeite naar of telefoon tot van vanaf veel voor voorbij we weinig wie wij wit ze
- voorzetsel: met
- bijwoord: met
woordenindex, inhoud