moed
[zelfstandig naamwoord]
- de durf om iets moeilijks te doen
vb:hij had de moed om met de directeur te gaan praten
- met de moed der wanhoop
[eigenlijk durf je niet, maar toch moet het]
- hem moed inspreken
[iets zeggen waardoor hij het durft]
- vertrouwen op de goede afloop
vb:geef de moed niet op!
- ik heb goede moed dat het gaat lukken
[ik heb er vertrouwen in]
- er met frisse moed tegenaan gaan
[er weer zin in hebben na een rustperiode]
- de moed zonk me in de schoenen
[ik had er plotseling geen vertrouwen meer in]
Meer informatie bij:
dat de directeur doen er een eigenlijk gaan geen hebben hem hij het iets in ik je lukken maar meer met me na niet om op plotseling praten te toch wanhoop weer zeggen zin
- zelfstandig naamwoord: moed
- de moed
woordenindex, inhoud