op

[voorzetsel, bijwoord]
  1. naar boven
    vb:ik loop de trap op
    synoniem: omhoog
    tegenstellingen: neer omlaag
  2. plaats waar het is
    vb:hij zit op de WC
  3. tijd wanneer het is
    vb:op dinsdag ga ik altijd tennissen
  4. er is niets over
    vb:de taart is op
    1. ik ben op! [ik heb geen energie meer]
    2. het kan niet op! [wat is er veel]
  5. niet in bed
    vb:ben je nog op?
algemene uitdrukkingen:
  1. hij kwam op mij af [naar mij toe]
  2. de auto loopt één op tien [een liter benzine is nodig voor tien kilometer]
  3. vertel op! [vertel het aan me]
  4. op de man af [rechtstreeks]
  5. op zijn minst [minstens]
  6. op één na [één is er over]
  7. op grote schaal [heel veel]
  8. ik moet op voor het examen [ik moet examen doen]
  9. op en neer tussen Amsterdam en Haarlem [heen en terug]
Meer informatie bij:
altijd af aan bed benzine boven de dinsdag doen er en een energie examen geen heel heen hij het in ik je kilometer liter man meer mij me minst na naar neer niet niets nodig nog plaats schaal taart terug tijd toe trap tussen veel voor waar wanneer wat wc
voorzetsel: op
bijwoord: op
woordenindex, inhoud