praten
[regelmatig werkwoord]
- woorden uitspreken, iets zeggen
vb:Kees is een jaar en hij kan nog niet praten
- laat hem maar praten
[je moet je niets van hem aantrekken]
- praat me d'r niet van
[ik wil er niets over horen]
- jij hebt makkelijk praten
[je doet alsof het niet ernstig is, maar dat is het wel]
synoniem: spreken
tegenstelling: zwijgen
- een gesprek voeren
vb:wij moeten eens met elkaar praten
- met jou kan ik praten!
[wij begrijpen elkaar]
- langs elkaar heen praten
[elkaar niet begrijpen, maar dat niet merken]
- ik zal eens met haar praten
[proberen haar tot andere gedachten te brengen]
synoniem: spreken
Meer informatie bij:
alsof aantrekken begrijpen brengen dat er en een eens elkaar ernstig gesprek heen hem hij horen het iets ik jaar je jou jij laat langs maar merken met moeten me niet niets nog proberen te tot uitspreken van voeren wel wij wil zeggen
- regelmatig werkwoord: pra-ten
- ik praat
jij/u praat
hij/zij praat
wij/zij/jullie praten
ik/jij/u/hij/zij praatte
wij/zij/jullie praatten
hij heeft gepraat
woordenindex, inhoud