stad

[zelfstandig naamwoord]
  1. grote plaats waar veel mensen wonen
    vb:Amsterdam en Rotterdam zijn steden
    1. we gaan de stad in [naar het centrum om te winkelen]
    2. ik heb er stad en land voor afgelopen [ik heb er overal naar gezocht]
    3. in de stad eten [buitenshuis eten]
Meer informatie bij:
centrum de er en eten gaan het in ik land naar om overal plaats te veel voor waar we wonen
zelfstandig naamwoord: stad
de stad
de steden
het stadje
woordenindex, inhoud